Bookmark and Share

Tweeëndertigste zondag door het jaar B - Marcus 12,3 8-44

Wat wij in het verleden zo vaak hebben kunnen vaststellen, geldt ook voor vandaag, namelijk dat het verhelderend werkt het pas gelezen evangelie in te kaderen in het geheel van het verhaal. Wij weten wel dat evangelies geen Jezusbiografieën zijn in de moderne zin van het woord. Niettemin is het een feit dat het verhaal van zijn leven als dusdanig nergens beter uitgetekend wordt.

De Heer Jezus is al weldoende rondgetrokken door Galilea. Hij heeft er zijn Blijde Boodschap verkondigd. Tijdens de hierop aansluitende reis naar Jeruzalem heeft Hij zich vooral toegelegd op het onderricht van zijn leerlingen.

De woorden en gebeurtenissen waarover Marcus het vandaag heeft, moeten enkele dagen na zijn koninklijke intocht in Jeruzalem gesitueerd worden, en dus slechts enkele dagen voor de avond van de laatste maaltijd, de nacht van verraad en veroordeling en de dag van lijden en kruisdood.

Wij kunnen het als het ware op de voet volgen wat zich tijdens die dagen heeft afgespeeld. Blijkbaar heeft Jezus niet in Jeruzalem zelf overnacht, maar is Hij 's avonds telkens naar Betanië getrokken, dat op een goed halfuur lopen vanuit het stadscentrum lag en waar de Heer bij vrienden logeerde.

De dag na die van de intocht plaatst Marcus de tempelreiniging, waaruit Jezus' grote eerbied en ijver blijken voor Gods huis, en tegelijk zijn ontgoocheling over de zogenaamde religieuze praktijken die er heersen.

Een dag later gaat Hij opnieuw naar de tempel. Dan vindt de grote uiteindelijke confrontatie plaats met de religieuze leiders, op hun eigenste terrein. Zij dagen Hem uit om zijn autoriteit te bewijzen. Hij ontloopt hun valstrikken, niet met handigheidjes maar met kernachtig geformuleerde en essentiële aspecten van zijn boodschap en zijn geloof.

Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt. En wat de verrijzenis van de doden betreft: onze God is geen God van doden maar van levenden. En in antwoord op de vraag van een van hen, 'Wat is het allereerste gebod?', zegt Hij: het eerste gebod is dat gij de Heer uw God zult beminnen met geheel uw hart, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is dit: gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.

Aan het einde van Jezus' kortstondige optreden in de tempel dat eerder plaatsvond, volgt dan de episode van vandaag.

Marcus vestigt de aandacht op een bemerking uit Jezus' tempelonderricht die hij niet eerder heeft vermeld, maar tot nu toe bewaard heeft, allicht omdat hij ze extra belangrijk vond. Het gaat over de terechtwijzing aan het adres van die schriftgeleerden die alles doen om maar op te vallen en ondertussen hun elementaire sociale plichten verwaarlozen: 'die de huizen van de weduwen opslokken', zo zegt de tekst.

Aangezien de evangelist dit nu pas ter sprake brengt, aan het einde van Jezus' zending en verkondiging, komt dit in elk geval over als zowat de diepste ontgoocheling die de Heer heeft opgelopen. Het zal Hem niet klein krijgen in zijn trouw, maar het treft Hem toch sterk: die huichelarij en vooral die uitbuiting vanwege de religieuze leidende klasse. Niet allen zijn ze zo, want even tevoren heeft Hij een van hen nog gefeliciteerd met zijn wijze woorden. Velen zijn blijkbaar wél zo. Dat is uit het evangelie in zijn geheel duidelijk op te maken.

Jezus zet de mensen ertoe aan daar oog voor te hebben en er niet in te lopen. Het is een waarschuwing voor zijn volgelingen en toehoorders, maar ook voor ons nu, voor onze tijd, voor onze kerk.

Het is een dubbele waarschuwing. Dat wij ons niet laten verblinden door of blindstaren op de grote sier en de grote mond van mensen - hoe machtig dan ook - als hun spreken en doen de lading niet dekken. Maar tegelijk en zeker evenzeer: dat wijzelf niet in de valkuilen van de macht trappen, onszelf opwerken ten koste van het verdrukken van mensen die in hun nood en onvermogen een kwetsbare en gemakkelijke prooi zijn.

Alvorens de tempel voorgoed te verlaten gaat de Heer nog even neerzitten. Zoals mensen doen, nadat zij een vertrouwde en geliefde plek voor de laatste keer hebben bezocht: ze gaan erbij zitten om mijmerend alles nog even in zich op te nemen. En dan valt Hem een miniem detail op, iets dat Hem nog dieper raakt dan het gehuichel van de rijke kerkleiders.

Het is geen ontgoocheling ditmaal, maar iets dat Hem deugd doet, een opkikker, een ban onder de riem. Ook nu betreft het een weduwe, niet als het lijdend voorwerp van uitbuiting, maar als de actor van weldadigheid ondanks haar eigen extreme armoede: het andere uiterste in vergelijking met hen die hun rijkdom vergroten ten koste van de armen en dan de gulle gever spelen om zich te laten zien en te doen gelden. 

'Voorwaar, Ik zeg u: die arme weduwe heeft het meest geofferd van allen die iets in de offerkist wierpen. Allen wierpen er iets in van hun overvloed, maar zij offerde van haar armoe alles wat ze bezat, alles waar ze van leven moest.'

Dan valt voor Jezus het doek over de tempel van Jeruzalem.

Niet echter voor de hogepriesters en hun medestanders: die voelen zich doelwit tot en met en gekwetst in hun eer.

Telkens na een of andere botsing wordt vermeld dat zij op wraak zinnen en Hem zoeken uit te schakelen, maar dat zij het niet aandurven uit angst voor de reactie van het volk, dat Hem welgezind is en blijft.

Maar dit was blijkbaar de druppel die de emmer heeft doen overlopen. In wat volgt, is geen sprake meer van vrees voor het volk die hen afremt. integendeel, zij zullen het volk ophitsen, totdat zij het voor zich gewonnen hebben.

De druppel die de emmer doet overlopen. Dat is niet zijn boodschap of zijn leer, niet zijn genezingen, zijn hele optreden; maar dat is hun gekwetste eigenliefde en eigenbelang. Enerzijds omdat hun oneerlijkheid ontmaskerd is, maar meer nog omdat zij het moeten afleggen tegenover een kleine mens op de laagste trede van de maatschappelijke ladder, omdat zij openlijk gedesavoueerd worden tegenover de weduwe bij de schatkist. Hoe naamloos ook, is zij - voor hen toen, zoals voor ons nu, voor onze tijd, onze kerk - een interpellatie: een levend appel aan ons geweten en al te gemakkelijke gemoedsrust.

Maar het is niet enkel een interpellatie. Het is een voorvelen moeilijk te verteren bevestiging van Gods voorliefde voor de kleinen en behoeftigen.

Een bevestiging van wat aan het begin van Lucas' verhaal een jong meisje, de aanstaande Moeder des Heren, gezongen heeft. Heersers ontneemt Hij hun tronen, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren, overlaadt Hij met gaven en rijken zendt Hij heen met lege handen.

Een bevestiging van wat in het begin van Matteüs' verhaal, bovenop de berg, weerklonken heeft. Zalig de armen van geest, want hun behoort het Rijk der hemelen.

Of zoals dichter Jan Veulemans het in zijn lied omschrijft in de vorm van een bede'
???????(Zingt Jubilate, lied nr. 724): 

Om eenvoudigen van geest
aan wie de hemel toegezegd is,
hen die wonen in verdriet
en voor wie vreugde weggelegd is,
om wie Gij zalig hebt geprezen,
Heer, wil ons van het kwaad genezen.

Om zachtmoedigen van hart,
geroepen om het land te erven,
hen die hongeren naar recht 
en die Gij recht zult doen verwerven,
om wie Gij zalig hebt geprezen,
Heer, wil ons van bedrog genezen.