Bookmark and Share

Vierentwintigste zondag door het jaar B - Marcus 8,2,7-35

Vandaag zijn wij halverwege het evangelie van Marcus. De perikoop van Caesarea Filippi vormt ook het grote keerpunt in het verhaal.

Keerpunt in de letterlijke betekenis. Caesarea Filippi is het noordelijkste punt op Jezus' rondreis door Galilea. Vanhier zal het vrij rechtlijnig zuidwaarts gaan, naar judea toe, naar Jeruzalem.

Maar ook keerpunt in de symbolische betekenis. Tot hier was het één groot crescendo van stijgende bijval en groeiende invloed bij het volk: een succesverhaal in volle wording. De mensen waren stom van verbazing en vroegen zich af wie Hij wel was. En de oppositie bij monde van de religieuze leidende klasse, schriftgeleerden en farizeeën, laat wel regelmatig haar protest horen, maar voorlopig blijft het bij verbale schermutselingen. Weinig laat vermoeden dat hier vlug verandering in op komst is. In de realiteit echter zal het vanaf nu met de dag duidelijker worden dat het niet het verwachte succesverhaal wordt, integendeel. 

In de streek van Caesarea Filippi houdt Jezus een tussenstop, een rustpauze om even terug te blikken op wat voorbij is en vooruit te blikken op wat komen gaat. Het is een dor woestijngebied, en dat is altijd een geschikte plaats voor wat bezinning en herbronning.

Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Dat is geen vraag om informatie, maar een retorische vraag. Jezus wist, zijn leerlingen wisten het: de mensen zijn onder de indruk, vol ontzag, vol verwachting ook. Die man moet te maken hebben met de Messiaanse droom: een nieuwe Johannes de Doper, een nieuwe Elia. Maar er is niemand die hardop zelfs maar aarzelend durft te zeggen: dé Messias. Daarvoor moet er nog heel wat meer, heel wat anders gebeuren, zo lezen wij tussen de regels door.

Menselijkerwijze gesproken moet het voor de Heer toch wel een steun in de rug geweest zijn dat zijn leerlingen Hem de appreciatie van het volk bevestigen. Daar kan Hij samen met de zijnen uit besluiten: het is de tijd, Wij zijn er klaar voor om het keerpunt te nemen, om de weg naar Jeruzalem op te gaan.

Als Jezus nu aan zijn leerlingen de vraag stelt, wie zij denken dat Hij is, dan is dat evengoed een retorische vraag. Hij weet dat ze Hem vertrouwen, dat ze aan zijn lippen hangen, dat ze heel wat van Hem verwachten.

Anders zouden ze niet bij Hem blijven en Hem op de voet volgen, waarheen Hij ook gaat.
Hun woordvoerder Petrus - wij weten dat die soms wat voortvarend is - durft het aan om in hun aller naam een heel stuk verder te gaan dan 'de' mensen: 'Gij zijt de Christus.' Meer staat er bij Marcus niet: niet wat dat nu juist zeggen wil, evenmin of Petrus bedankt en gefeliciteerd wordt met zijn uitspraak. Jezus' enige commentaar is dat zij dat het best voor zich hielden.

Gij zijt de Christus! Is dat de eerste keer in het Marcusevangelie dat iemand dat zegt? Als zodanig, ja. Gelijksoortige uitspraken zijn er wel reeds geweest, telkens dan nog - hoe onwaarschijnlijk dat ook moge zijn - vanwege mensen die van de duivel bezeten waren en er door Jezus van bevrijd zouden worden. Bij zijn allereerste optreden in de synagoge van Kafarnaüm: 'Gij zijt de Heilige Gods.' Nog sterker die keer aan de overkant van het meer: 'Gij zijt Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste.' Nu kun je er Petrus moeilijk van verdenken dat hij de duivel in zich had, toen hij zei: 'Gij zijt de Christus.' Integendeel, al hebben wij toch ook het vervolg van het verhaal in gedachte waar diezelfde Petrus ook van een of andere demon bevrijd moet worden: 'Ga weg, satan, terug!' Goed en kwaad wonen door hun band nu eenmaal dicht in elkaars buurt.

Dat Jezus hun verbood om Petrus' ontboezeming verder te vertellen, doet ons ook vreemd aan. Dat zal echter niet de enige keer zijn. Wij hoeven maar één bladzijde verder te draaien naar waar het verhaal verteld wordt van de gedaanteverandering. De zwijgplicht daar aan de leerlingen opgelegd, krijgt er wel een termijn: totdat Hij uit de doden zal zijn opgestaan. Zelfs bij zijn hemelvaart, zo vertelt Lucas ons, raadt Hij hun aan nog wat te wachten met hun verhaal, hun getuigenis en verkondiging 'totdat zij uit den hoge met kracht zijn toegerust': tot het moment dat zij het zelf wat beter vatten, dat ze wat mondiger geworden zijn, het moment dat het voor Petrus en zijn vrienden Pinksteren is geweest.

Petrus' belijdenis van Caesarea Filippi, gedaan in de naam van alle leerlingen, moet voor de Heer een tweede ruggensteun geweest zijn. De mensen verwachten het; mijn vrienden staan achter Mij. Het is er de tijd voor. Wij zijn klaar om het keerpunt te nemen, om de weg naar Jeruzalem op te gaan.

Want dat moest ervan komen, de opgang naar Jeruzalem. Het was onontkoombaar. Daar immers was het dat het hart sloeg van Gods volk. Het kon niet dat Jezus' zending om de Blijde Boodschap te verkondigen, zich zou beperken tot Galilea. Laat ons dan op weg gaan, zeggen de leerlingen, niets houdt ons tegen. Zeker, zegt Jezus, wij gaan. Maar vooraf moet Ik u toch even vertellen wat er Mij en u te wachten staat.

Zonder enige terughoudendheid, zegt Marcus, dat wil zeggen: met evenveel woorden en zonder omwegen voorspelde Hij voor het eerst zijn lijden, dood en verrijzenis.

Dit is een gevoelig en moeilijk punt. Is Jezus dan toch een supermens die zijn eigen toekomst van naaldje tot draadje kent? Die, zoals Johannes het zegt, wist wat over Hem ging komen?

Wij doen de waarheid geen geweld aan en het evangelie geen onrecht, als wij dit wat relativeren, of beter gezegd: in zijn juiste context plaatsen. Om het evangelie te begrijpen is het nodig het in zijn juiste draagwijdte te lezen. Zo is het eigen aan de taal van de evangelisten om wat zij ten einde toe in de feiten hebben meegemaakt, te projecteren naar het eerdere verloop van de gebeurtenissen: om hun verhaal alle kracht bij te zetten. De jonge kerk heeft de woorden van Jezus, met het oog op een trouwe belijdenis en een vurige verkondiging, hoogstwaarschijnlijk heel wat uitdrukkelijker geformuleerd dan Jezus ze zelf heeft uitgesproken.

Dit doet geen afbreuk aan het feit dat wij met stelligheid ervan kunnen uitgaan dat de Heer zich terdege bewust was van zichzelf en zijn zending, van het risico, van de mogelijke, de waarschijnlijke tegenkanting en mislukking. Dat was immers immanent verbonden aan de grote tweespalt tussen zijn opvatting over zijn Messiaanse roeping en zending en het messiasbegrip en de messiasverwachting van het volk: niet zozeer de mensen uit de dorpen in Galilea, ver van de hoofdscène, als wel die in Jeruzalem, waar het nu om te doen zou zijn.

En daar had je dan aan de ene kant de wetsgetrouwen met een messiasverwachting vol politieke ambitie, en aan de andere kant de bezetter en degenen die zijn kant hadden gekozen en voor wie elke messias een bedreiging vormde. Tegen al dat geweld in zal het gaan, geweldloos...

In die zin corrigeert Jezus het messiasbegrip van de mensen, ook dat van zijn leerlingen. En Hij wijst hen op de komende confrontatie en de haast zekere gevolgen daarvan. Maar Hij blijft onwankelbaar, zeker van zijn zaak, vol vertrouwen in de uiteindelijke redding vanwege de Vader, de God van leven. Ook dat zegt Hij hun. Verrijzenis noemt Hij dat. 

Maar dat verstaan zij, de leerlingen, nog helemaal niet. Zó verstaat Petrus het helemaal niet. Als ons dat boven het hoofd hangt, zegt hij, dan gaan wij niet. Wij gaan ons hachje toch niet riskeren, het gevaar opzoeken om ons leven erbij in te schieten, om ons leven dat ons dierbaarste bezit is te verliezen.

Dat duiveltje moet eruit. Jezus weet hoe dat moet, hoe je zoiets aanpakt. Weg, satan, terug! Gods wil is het dat zijn Messias, getrouw en gehoorzaam aan zijn zending, deze weg gaat en hem ten einde gaat. Als je niet bereid bent om dit risico met Mij te nemen, dan moet je maar gaan, dan kun je mijn volgeling niet meer zijn.

Naar Jeruzalem gaan is de grote opdracht. Hij zegt het tot Petrus, tot de twaalf. Marcus vermeldt uitdrukkelijk dat Hij het meteen ook tot alle omstanders zegt. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen: om getuigenis af te leggen van de waarheid. Dat is de opdracht. Het is tegelijk de grote uitdaging en het levensgrote risico.

Al wie Mij - hier en nu of waar en wanneer dan ook - wil volgen op deze levensweg van trouw en overgave, van vrede en gerechtigheid, in deze levenswijze van dienstbaarheid en barmhartigheid, moet goed beseffen dat dit niet kan zonder zelfverloochening en kruis.

Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest omwille van Mij en het evangelie, zal het redden.