Bookmark and Share

Preek op 21-10-2018, 29e zondag door het jaar B, pastoor Frank Domen

21-10-2018
Home >>

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, allemaal van harte welkom weer bij de heilige Eucharistieviering.

Misschien hebben ouders of grootouders het weleens meegemaakt: een zoon of kleinzoon, 18 jaar, heeft net z’n rijbewijs, al zijn spaargeld opgenomen en meteen een eigen auto. En meneer houdt wel van snelheid. Een beetje door de bocht scheuren vindt hij wel stoer.

Z’n moeder of oma heeft al eens gezegd: Joh, je krijgt nog eens een flinke bekeuring. Maar de jongeman zegt, dat hij heel goed uitkijkt. En dan gebeurt het op een dag natuurlijk toch het onvermijdelijke: er valt een enveloppe van het justitieel incassobureau op de deurmat: een vette bekeuring van een paar honderd euro ... die hij niet heeft. En dan komen de tranen van berouw.

En dan zou het zomaar kunnen, dat je moederhart, het hart van oma, spreekt en dat je zegt: Joh, ik wil wel één keer je bekeuring betalen, maar je moet me beloven, dat je nooit meer zo hard zal rijden. Dat wordt dan met een blijde en dankbare glimlach beloofd en wie weet houdt hij zich aan zijn belofte.

Beste medegelovigen, hetzelfde heeft Jezus Christus voor ons gedaan: Hij heeft onze schuld op zich genomen en zo de weg naar hemelse Vader vrijgemaakt. Dankzij Hem is het voor ons weer mogelijk eeuwig te leven.

Maar Jezus Christus hoopt wel, dat wij hetzelfde doen: ons proberen niet boos te maken over de brokken, die andere - soms eigenwijze - mensen veroorzaken en elkaar helpen de schade zo veel mogelijk te herstellen. Zo ver reikt Jezus’ liefde. Dat mag ook één van onze levenstaken zijn.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Goede God, om onzentwille heeft uw Zoon zich belast met onze schuld en het lijden op zich genomen om allen te rechtvaardigen. Beziel ons met zijn gezindheid; dat wij bereid zijn ook de last van anderen te dragen zoals Hij heeft gedaan: de dienaar van ons allen, Jezus Christus, uw Zoon, onze Heer. Die met U leeft en heerst ... . Amen.

KINDERWOORDDIENST

PREEK

Broeders en zusters, het evangelie begint met een vraag van de twee apostelen Jakobus en Johannes. Of ze strakjes in Jezus’ glorie aan zijn linker- en rechterhand mogen zitten, de beste plaatsen mogen hebben. Maar Jezus zegt dan, dat ze niet weten wat ze vragen.

Weten wij wél wat wij aan Jezus Christus vragen? Tja, Jezus heeft het misschien zelf uitgelokt. In het evangelie van Johannes (15, 7) zegt Jezus Christus het volgende: “ Als gij in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat gij wilt en gij zult het krijgen”. Nou dan, Jezus vraagt erom, dat mensen Hem overvragen.

Natuurlijk zijn Jakobus en Johannes niet de eersten de besten. In het vierde evangelie wordt over Johannes gesproken als “de leerling, die door Jezus wordt bemind.” Je zou zeggen, dat hij dan wel ongeveer weet wat wij wel en wat wij niet aan Jezus Christus kunnen vragen. Maar die Johannes uit het evangelie is dezelfde als degene, die vandaag met zijn oudere broer bij Jezus onbescheiden aandringt: “Meester, wij willen, dat U voor ons doet wat wij U vragen.” Zij vragen zonder blikken of blozen of Jezus vóór hun karretje wil komen staan!

Weten wij wél wat wij aan Jezus Christus kunnen vragen? Sommige mensen - misschien vooral niet-kerkgaande katholieken denken nog steeds, dat de Kerk van Jezus Christus als een automatiek is, dat je de genade uit de muren van de Kerk trekt als een kroket op het station - euro erin, en meteen gaat een luikje naar eigen keuze open. Die leerling Johannes is op dat moment net zo’n eigengereide ziel als zo veel anderen, door voor zichzelf het beste plaatsje te willen hebben. Jullie zien: aan de apostelen is niets menselijks vreemd. Ook zij moesten leren, geestelijk groeien.

Veel mensen bidden niet zo veel anders dan Jakobus en Johannes. Sowieso is veel gebed van mensen smeekgebed, heel ik-gericht. Wij vragen liever dan dat we “dank U wel” tegen God zeggen; sterker nog: wij vinden het heel vanzelfsprekend, dat alles goed loopt, en - zo zeggen sommige mensen - als we God nodig hebben, dan bidden wij wel. Nood leert bidden. Nou, als ik God zou zijn - gelukkig ben ik dat niet - dan zou ik me in de hemel misschien in liefde en barmhartigheid toch minstens op de lippen moeten bijten om niet te zeggen: “Zeg ... toen het je goed ging had je Me ook niet nodig!” Gelukkig is God heel wat beter gemutst dan wij mensen.

Tussen haakjes, als we net een heel slecht bericht hebben gekregen, inzake ziek en zeer, is het natuurlijk even moeilijker om “Dank U wel” te zeggen. Het kan aanvoelen als een zware aardbeving. Wij hebben moeite staande te blijven. Lees dan maar eens het oudtestamentische verhaal van Job op de mesthoop.

Eén van de beste gebeden van de Bijbel - buiten het Onze Vader en de gebeden die Jezus zelf verrichtte - is misschien wel de bede van Samuel, hem geleerd door de oude priester Eli. Het luidt: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert!” Kijk, dat is een gebed, dat God de plaats geeft, die Hem toekomt en dat niet uitgaat van ons kleine beperkte ikje. Een gebed, dat door God ook meteen beloond wordt. Het is een gebed zoals de bede uit het Onze Vader: “Uw Wil geschiede.” Op andere gebeden kan God misschien eigenlijk alleen maar antwoorden: “Ge weet niet wat ge vraagt!”

Wat mogen wij dan wel aan Jezus Christus vragen? Wel, wij mogen in principe alles aan de Heer vragen, als we het maar doen met de juiste houding - en dat is dus niet die van Jakobus en Johannes. Onze houding tijdens het bidden mag meer die van Moeder Maria zijn: eenvoudig en nederig, open voor wat God wil, wat Hij voor ons het beste vindt, en ook kunnen aanvaarden als dat iets anders is dan wat wij hopen. Moeder Maria stelt eigenlijk helemaal geen vragen om iets te krijgen; zij ziet wel iets gebeuren en legt dat voor aan de Heer: “Ze hebben geen wijn meer,” zegt zij tijdens de bruiloft van Kana (Joh. 2, 3).

Jezus voorspelt de twee leerlingen maar vast, dat als zij werkelijk zo overtuigd zijn van hun eigen grootheid, dat zij dan ook het doopsel van Jezus zullen moeten ondergaan - lees: zullen moeten delen in Jezus’ dienstbaar lijden. Jezus’ weg is niet de softe weg van alleen maar geluk en genieten van het leven, nee, het is uiteindelijk een kruisweg. Die smalle weg leidt naar het licht van de Verrijzenis.

Als wij wat vragen aan Jezus Christus, zouden we misschien eerst naar Hem moeten kijken: welke weg is Hij ten einde toe gegaan? En daar dan onze verwachting op afstemmen. Wij krijgen beslist geen beter lot dan de Zoon van God zelf.

Wat kunnen wij vragen? Wat Jezus en Maria zelf ook hebben gevraagd: dat ze op al hun wegen gezegend mogen zijn, verbonden met God, niet eenzaam en verloren, en dat ze mogen standhouden in de beproevingen, die het leven vanzelf met zich meebrengt; dat zij - zoals de profeet Jesaja het noemde in de eerste lezing - de gebeurtenissen van hun leven aan God willen opdragen als een zoenoffer.

De mensen in de wereld leggen andere normen voor geluk aan. Zij bidden, dat hun helemaal niets zal overkomen.

Leerlingen van Jezus zijn realistischer. Zij weten, dat de wereld soms een tranendal is. Zij voorzien hun eigen lijden en verdriet, omdat dat bij het menszijn hoort. Zij bidden, dat Gods wil mag geschieden. Niet redenerend vanuit het eigen ik, maar open naar wat komt. Bidden dat alles wat je doet en ondergaat - net als bij Jezus Christus - vruchtbaar mag zijn voor anderen.

Weten wij wél wat wij aan Jezus Christus kunnen vragen? Hopelijk leren wij uit de ongepaste vraag van twee apostelen wat wél de juiste vragen zijn. Laten wij in ons gebed vrijmoedig zijn, maar niet eigengereid. God vrijlaten in wat goed is voor allen, en niet alleen voor onze eigen nood. Dan bidden we in de geest van het gebed dat Jezus ons zelf heeft geleerd: “Vader, niet mijn wil, maar uw wil geschiede.” Amen.

Terug

Commentaren

No comment found

Toevoegen commentaar