Bookmark and Share

Preek op 06-10-2018, Eerste Zaterdag van de Maand in Heiloo, pastoor Frank Domen

07-10-2018
Home >>

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, allemaal van harte welkom op deze eerste zaterdag van de maand.

Morgen, 7 oktober, vieren wij normaal gesproken de gedachtenis van de heilige Maagd Maria van de Rozenkrans. Omdat dat dit jaar op zondag valt, komt de gedachtenis te vervallen. Maar wij mogen dat natuurlijk ook één dagje eerder vieren.

Overal ter wereld beveelt Maria van harte het bidden van de rozenkrans aan. Niet om zichzelf meer op de voorgrond te zetten, maar omdat er niemand is, die ons beter kan helpen om bij Jezus te komen dan zij, zijn en onze hemelse Moeder. Zij leert ons - wat zij ook zelf heeft ondervonden - dat Jezus’ weg een weg is van lijden en dood én verrijzenis.

Vragen wij Maria ons te helpen om Jezus beter te leren kennen en na te volgen.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Heer, wij hebben door de boodschap van de engel de menswording van Christus, uw Zoon leren kennen. Wij bidden U: stort uw genade in onze harten, opdat wij, op voorspraak van de heilige Maagd Maria, door zijn lijden en kruis gebracht worden tot de heerlijkheid van de verrijzenis. Door onze Heer ... Amen.

PREEK

Beste medegelovigen, de eerste lezing van vandaag is genomen uit het boek Job. Wat hij - Job - meemaakte, speelde lang geleden, maar - net als alle gebeurtenissen in het evangelie - geldt dit leermoment voor de mensen van alle tijden en plaatsen.

Job vraagt zich vanuit het diepste van zijn hart af waarom er slechte dingen gebeuren met goede mensen. Hij verliest zijn familieleden, al zijn bezittingen en uiteindelijk raakt hij ook zijn gezondheid kwijt. Hij ziet er zo afzichtelijk uit, dat hij door iedereen wordt gemeden. Job, de man op de mesthoop, die voortdurend zijn zweren zit te krabben. Het komt op hem over als een straf uit de hemel, maar hij weet, dat hij onschuldig is. Hij heeft geen zonden begaan. In ieder geval niets wat zo’n grote straf zou rechtvaardigen. Maar zijn vrienden vragen zich wel af - hardop - wat Job heeft misdaan. Volgens hen kan het niet anders dan dat Job groot kwaad heeft gedaan.

Urenlang maken Job en zijn vrienden ruzie. Ze slaan elkaar met argumenten voor en tegen om de oren.

God wacht geduldig tot ze uitgeraasd zijn en dat komt Hij tussenbeide. Hij geeft Job een berisping. Niet omdat hij wel had gezondigd, maar omdat Job niet heeft herkend en erkend, dat de plannen van God het menselijke begrip soms ver en ver te boven gaan.

Eigenlijk legt God helemaal niet aan Job uit waarom dit alles is gebeurd. Maar Hij zegt, dat alleen Hij, God, het waarom van het leven kent.

En dan komen we bij het begin van de eerste lezing van vandaag. Job erkent, dat God alle macht heeft. Niets van wat God wil wordt Hem geweigerd. Hij ziet in, dat hij - zo zegt hij zelf - dom gesproken heeft, over zaken, die te wonderbaar zijn voor zijn kleine begrip. Van horen zeggen had Job over God gehoord, maar nú - te midden van deze ellende - hebben Jobs ogen God aanschouwd. Job herroept al zijn woorden en doet boete in stof en as.

Broeders en zusters, net als Job vragen ook wij onszelf weleens af waarom ons leven - of het leven van mensen, die ons heel dierbaar zijn - zus of zo verloopt en niet anders, niet overeenkomstig onze dromen, in grote lijnen in ieder geval.

Bij een van de kinderen wordt een ernstige ziekte ontdekt; een echtgenoot wordt werkeloos; een goede vriend heeft ons in de steek gelaten, juist toen wij hem echt nodig hadden.

Hebben wij iets verkeerds gedaan, dat dit ons overkomt? Wel, in het Johannesevangelie (8,7) zegt Jezus tegen de Farizeeën en Schriftgeleerden, dat degene onder hen, die zonder zonde is als eerste een steen mag gooien naar de vrouw, die op overspel is betrapt. En in zijn eerste brief (1,8) zegt Johannes letterlijk, dat als wij beweren zonder zonde te zijn, wij onszelf bedriegen en dat de waarheid dan niet in ons woont. Zelf heb ik vóór deze heilige Mis nog gebiecht en dat is niet zonder reden.

Door de belevenissen van Job herinnert God ons eraan, dat Hij - zelf denk ik: meestal - niet de bron is van allerlei lijden en ontberingen. Hij kan het lijden wel gebruiken om ons te onderwijzen, te vormen, ons innerlijk meer gelijkvormig te maken aan zijn Zoon, die juist door het dragen van zijn kruis de mensheid van de zonde heeft verlost en de hemel voor ons heeft geopend.

Er blijven misschien vragen onbeantwoord, maar de belevenis van Job bewijst wel, dat God van ons houdt en dat er alle reden is om God te vertrouwen.

Lieve mensen, wij zullen niet altijd meteen in dit leven een beloning krijgen voor ons vertrouwen op God. Wij zullen lang niet altijd het waarom van de dingen begrijpen. In het evangelie van vandaag wijst Jezus ons erop, dat God de dingen van de hemel openbaart aan mensen, die zijn als kinderen, dus aan mensen, die vol vertrouwen zijn. Wij mogen op Gods liefde voor ons vertrouwen, hopen op een beloning in de hemel.

Dat vertrouwen is niet altijd even gemakkelijk, maar er zijn manieren om het in de loop van de tijd te laten groeien. Zien wij onze teleurstellingen; brengen wij ze bij de Heer, en natuurlijk ook bij Moeder Maria. Lezen wij de heilige Schrift, de Bijbel, proberen wij daarin, in Gods eigen woorden, antwoorden te vinden. En spreken wij ook onze dankbaarheid uit. Tellen wij onze zegeningen. Misschien kunnen wij er ook met een vertrouwenspersoon over spreken, onze biechtvader bijvoorbeeld.

Broeders en zusters, ik zei zojuist, dat volgens mij God meestal niet de oorzaak is van allerlei lijden en ontberingen. Er zijn mensen, die hun leven helemaal in handen van de Heer leggen, die met Hem willen meelijden voor de redding van de zondaars, voor de verlossing van de zielen uit het vagevuur en nog andere belangrijke zaken. En soms geeft God die mensen een bepaalde vorm van lijden, al naar gelang ze aankunnen. Hij deed dat bijvoorbeeld met zuster Maria Faustina van de Goddelijke Barmhartigheid. Zij heeft heel veel geleden, ook momenten gekend van hemelse vreugde. En zo is zij innerlijk helemaal aan Jezus en Maria gelijkvormig geworden.

Op een dag gaf Jezus haar de volgende boodschap en daarmee wil ik dan afsluiten:

"Vertel de zielen dat ze in hun harten geen hindernissen moeten opwerpen voor mijn barmhartigheid die zo graag in hen wil werken. Mijn barmhartigheid werkt in al die harten die hun deuren voor haar openen. Zowel de zondaar als de rechtvaardige hebben mijn barmhartigheid nodig. Evengoed als de bekering is de volharding een genade van mijn barmhartigheid. Laat de zielen die naar de volmaaktheid streven mijn barmhartigheid in het bijzonder aanbidden, want de overvloed van genaden die ik hen verleen, vloeit uit mijn barmhartigheid voort. Ik verlang dat deze zielen zich onderscheiden door een grenzeloos vertrouwen op mijn barmhartigheid. Ik draag zelf zorg voor de heiliging van zulke zielen. Ik zal ze voorzien van alles wat ze nodig hebben om heiligheid te bereiken. De genaden van mijn barmhartigheid kunnen maar met één vat geput worden en dat vat heet vertrouwen. Hoe meer een ziel vertrouwt, des te meer zal zij ontvangen. Zielen die een grenzeloos vertrouwen hebben, zijn een grote troost voor mij, want Ik giet al mijn genadeschatten in hen. Ik verheug Mij erover als ze om veel vragen, want het is mijn verlangen om veel, heel veel te geven. Aan de andere kant ben Ik treurig als zielen om een beetje vragen en als ze hun harten verengen.” Amen.

Terug

Commentaren

No comment found

Toevoegen commentaar