Bookmark and Share

Zevende paaszondag - Johannes 17,11-19

Wat is dit eens te meer een moeilijk evangelie vandaag! Als het de toehoorders een troost kan zijn, dan geldt dat minstens evenzeer voor de predikant van dienst die geacht wordt uit te leggen wat hij amper zelf min of meer begrijpt.

Om dit enigszins te verhelpen kan het nooit kwaad de voorgelezen tekst te situeren binnen het geheel van het geschrift. Zeker zal dit helpen bij de extra moeilijke Johannes.

Zijn evangelie bestaat uit twee grote delen.

Deel 1, hoofdstukken 1 tot 12, gaat over Jezus' openbare leven, met als steeds weerkerend schema: het verhaal van een gebeurtenis, een 'teken' door Jezus gesteld, en daaraan verbonden een meestal wat langere toespraak of 'rede'.

Deel 2, de hoofdstukken 13 tot 21, behandelt de paasdriedaagse met achtereenvolgens: Witte Donderdag (hoofdstukken 13 tot 17), het lijdensverhaal (18, 19) en het paasgetuigenis (20 en 21).

Vandaag, zoals op iedere zondag in de tweede helft van de paastijd, is het wittedonderdagdeel aan de beurt, hoofdstukken 13 tot 17: de zogeheten afscheidsrede, die beschouwd wordt als de allermoeilijkste Johannestekst, zeker nog het laatste hoofdstuk ervan waaruit de tekst van vandaag komt, en dat het hogepriesterlijk gebed genoemd wordt.

Een gebed? Dat hebben wij er amper in gehoord. Het komt ons veeleer voor als een hoogdravende bespiegeling rondom een aantal filosofische begrippen en die wat in de lucht lijkt te hangen Wij ervaren weinig of niets van het bidden van de Heer voor zijn vrienden, zoals wij ook geen verband ervaren met het uitgangspunt, de realiteit van Witte Donderdag: de vriendenmaaltijd, de voetwassing, het testament dat Jezus naliet, het afscheid. Wij zijn om zo te zeggen de draad daarmee helemaal kwijt. Al zal dat zeker niet eenvoudig zijn, die willen wij toch even trachten op te pikken.

Ik bewaar een uitgesproken levendige herinnering aan de oude pastoor van onze parochie tijdens mijn jeugd. Ondanks zijn hoge leeftijd ging hij veel op huisbezoek. Hij was bekend en geliefd om zijn huisbezoeken, vooral om de volgende reden. Aan het einde van een dergelijk bezoek schakelden vele pastores over op een gebedsmoment. Ook hij deed dat. Typisch echter was dat hij de mensen niet uitnodigde om samen te bidden, maar dat hijzelf bad. En dat begon telkens met een heel uitdrukkelijk: 'Nu ga ik voor u bidden!' En dat deed hij dan ook, hardop: voor de zieken, de bejaarden, de nabestaanden in rouw die hij bezocht had, voor de kinderen... En wat hij zei, of het nu een formule dan wel een improvisatie was, dat deed er niet toe. De mensen waren er steeds opnieuw door geraakt, aangesproken in hun hart. 'Nu ga ik voor u bidden!'

In onze liturgie zijn er eveneens dergelijke momenten die mensen dan ook sterk aanspreken. Als een voorganger expliciet gaat bidden voor wie bijvoorbeeld centraal staat in de viering, het gebeuren, het feest: de dopelingen, de vormelingen, de gehuwden. De huwelijkszegen bijvoorbeeld spreekt meer aan dan de andere gebeden tijdens de dienst, omdat het hierbij rechtstreeks gaat over 'die twee'. Bij priesterwijdingen is het wijdingsgebed van de bisschop een aangrijpend ogenblik.

Dit soort liturgisch gebed wordt niet ingeleid door de bekende oproep 'Laten wij bidden', gevolgd door een korte stilte en door het gebed van de voorganger dat geldt als zijnde de samenvatting van het bidden van eenieder. Het mooiste voorbeeld daarvan zijn de voorbeden. Die spreken mensen ook aan, maar dan eerder de intenties dan wel het slotgebed zelf.

Dit soort bidden echter is directer, explicieter, plechtiger, als je wilt. Het verloopt vaak in de prefatievorm. En de klassieke inleiding van onze prefatie, 'Verhef uw hart...', 'brengen wij dank aan de Heer onze God...', mag je gerust als het liturgische synoniem zien van het 'Nu ga ik voor u bidden' van mijn oude pastoor. En dan volgen de prefatie en het dankgebed, in de eucharistie het eucharistisch dank- of hooggebed.

Zoiets is het evangelie van vandaag: de prefatie en het grote dankgebed uit Jezus' liturgie van Witte Donderdag. Bij het 'teken' van zijn gegevenheid (de maaltijdritus, de voetwassing) en bij de duidende uitleg die de Heer hieraan toevoegt (het caritasgebod, het testament, de afscheidsrede) komt het gebed. Liturgici zullen opmerken dat dit de verkeerde plaats daarvoor is, maar dat zal de evangelist Johannes een zorg zijn.

Het is Jezus' hooggebed, zijn prefatie, zijn dankgebed, zijn canon, zijn beracha, of hoe je het ook noemen wilt: zijn plechtige, geïmproviseerde, lange hogepriesterlijke prefatie bij de viering van het sacrament van de liefde, of als je wilt bij gelegenheid van de eerste communie en de priesterwijding van zijn leerlingen. Nu ga Ik voor u bidden!

Is ons moeilijke evangelie nu gemakkelijk geworden? Ik denk van niet. Maar wij kunnen ons voorstellen dat de leerlingen, die er toen ook weinig van begrepen, er toch door geraakt waren. Wij weten nu dat het geen filosofie is, maar een dankend en smekend bidden van de Heer Jezus Dat deze vrienden van Hem gegrepen mogen worden door zijn liefde voor hen en door zijn nalatenschap: heb elkaar lief, zoals Ik u heb liefgehad; dat zij gegrepen mogen worden door de caritas.

En wat dit concreet betekent, komt in Jezus' woorden uitvoerig aan bod. Hij noemt, aan elkaar verbonden en in elkaar verweven, de voorwaarden, de levenswaarden van de caritas.

Dat zijn de eenheid -'opdat zij één mogen zijn zoals Wij'; de vreugde -'opdat zij mijn volle vreugde in zich zouden mogen bezitten'; de toewijding -'in de wereld... niet van de wereld...'; de waarheid -'wijd hen U toe, Vader, in waarheid. Uw woord is waarheid'.

Geen caritas zonder die vier: eenheid, vreugde, toewijding, waarheid.

De eenheid, de verbondenheid met God en met elkaar waartegenover staat dat enkel wat je zelf doet en wat je voor jezelf doet, van tel is, en niet wat je met en voor elkaar doet. De christelijke vreugde, die heel wat dieper ligt dan wat goedkoop amusement als vlucht uit de dagelijkse zorg en angst. De toewijding aan God waartegenover Johannes plaatst het toebehoren aan de wereld, waarmee hij bedoelt: aan de tegenkrachten van de schepping en de liefde.

Laat het duidelijk zijn dat ons christendom van de caritas geen vlucht uit de wereld is. Het is het uitbouwen van een hemelse krachtcentrale in de wereld. In zijn menselijk bezig zijn moet de christen niet per se ongeïnteresseerd of onbeholpen, stuntelig of niet-geëngageerd doen. Hij moet aan zijn handelen zoveel mogelijk rendement geven om precies op die wijze zijn geloofsgetuigenis te belichamen en kracht bij te zetten.

En ten slotte is er de waarheid. Dat is misschien nog het moeilijkste 'begrip' van alle. Tegenover de waarheid van God staat de waarheid zonder God; die van; wij weten wel beter dan deze droom buiten alle realiteiten; wij zien toch wat wij zien, wij horen toch wat wij horen.

Is er dan een dubbele waarheid, namelijk één van God en één van de wereld? Zeker niet. Wij kunnen dit probleem allicht enigszins begrijpen vanuit het beeld van de ijsberg. Gods waarheid is de hele ijsberg, voor negentig procent onzichtbaar onder water. Maar de wereld houdt zich het liefst alleen maar bij de tien procent zichtbare, tastbare realiteit.

Zo is de 'waarheid' bij de evangelist Johannes (datgene dus wat Jezus als levenswaarde van de caritas voor zijn leerlingen afsmeekt): de volle menselijke realiteit, maar overstraald door het licht van Pasen, door de gloed van de Geest, verwarmd door het vuur van de liefde. En omdat zij inderdaad meestal niet aan de buitenkant zit, vraagt deze waarheid om door christenen aan het licht te worden gebracht.

Waarheid is de manier waarop christenen omgaan met de werkelijkheid van iedere dag, met de realiteit van leven en dood: in het licht namelijk van Jezus' leven, van Jezus' liefde, van zijn lijden en kruis, van zijn verrijzenis en hemelvaart.