JAAR B vasten 04 - Dionysiusparochie
Bookmark and Share

Vierde zondag in de veertigdagentijd - Johannes 3,14-21

Het evangelie is het tweede gedeelte van het nachtelijk gesprek dat Jezus voerde met de allereerste door Johannes met naam genoemde geloofskandidaat, Nikodemus. Maar wat wij gehoord hebben, kun je moeilijk een gesprek noemen. In het voorafgaande eerste deel komt Nikodemus regelmatig aan het woord om een vraag te stellen of een opwerping te maken. Het fragment van vandaag is een zuivere monoloog.

Heel wat exegeten sluiten dan ook de aanhalingstekens na de eerste zin van de zo-even voorgelezen tekst. Daar eindigt dan Jezus' antwoord en meteen het gesprek met Nikodemus. Dat is ook af te leiden uit de overschakeling naar een andere schrijfstijl: van de Ik-gijvorm naar een algemene derde persoon, God en de wereld, God en de mensen.

Als de ontmoeting tussen Jezus en Nikodemus afgelopen is, dan is de consequentie dat verder niet meer Jezus aan het woord is, maar de evangelist, Johannes zelf die - in de marge van zijn verhaal - er even bij blijft stilstaan, er zich over bezint: een nabeschouwing in de stijl van zijn Proloog waar termen als oordeel, licht, waarheid evenzeer aan de orde zijn als hier.

Aan het einde van het gesprek heeft Jezus zijn kruis in het vooruitzicht gesteld: 'Zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, zo moet de Mensenzoon omhoog geheven worden, opdat al wie gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben.'

Daarop zegt Johannes - bij zichzelf, tot zijn lezers, tot ons: Inderdaad! Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie gelooft in Hem niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.

Het eerste deel van deze beide volzinnen verschilt. Het tweede deel is nagenoeg hetzelfde. Laat het ons even hebben over de bijna identieke nazinnen. Johannes voegt er in zijn versie tussenin 'niet verloren zal gaan' om door deze tegenstelling het positieve vervolg 'maar eeuwig leven zal hebben' extra te onderstrepen.

Maar als je dat even terzijde laat, zijn beide zinnen identiek: 'opdat al wie gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben'. Als er dan geen verschil is in de nazinnen, mag je daaruit besluiten dat ook de totaal van elkaar verschillende voorzinnen inhoudelijk dezelfde betekenis hebben.

'De Mensenzoon moet omhoog geheven worden' is gelijk aan: 'Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn Zoon heeft gegeven.' En het doel daarvan, het gevolg van 'beide' is: 'dat al wie gelooft in Hem, eeuwig leven zal hebben'. Dat wil zeggen: Jezus' kruis is teken van Gods liefde, zegt Johannes. Tot dat inzicht is hij gekomen. Die geloofservaring deelt hij ons mee.

Wekelijks op zondag zeggen of zingen christenen tijdens de eucharistieviering het symbolum van Nicea, de samengebalde samenvatting van hun geloof. 'Credo in unum Deum.' Ik geloof in één God. Een indrukwekkend moment en een indrukwekkende tekst is dat. Soms gebruiken wij een even sterke, meer gecondenseerde versie die wij de Twaalf Artikelen noemen. Daarbij weet ieder van ons dat het woordje 'ik' tegelijk als 'wij' begrepen moet worden. 'Credimus.'

Met een visionaire blik, gaande vanaf de schepping in den beginne tot aan de voleinding van de Apocalyps, vat Johannes dat alles samen in zijn enige en unieke geloofsartikel: ik geloof dat God de wereld zozeer heeft liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ik niet verloren ga, maar eeuwig in Hem leef.

Laat het ons hem in de meervoudsvorm nazeggen: wij geloven dat God onze wereld zozeer heeft liefgehad dat Hij ons zijn Zoon heeft gegeven, opdat wij niet verloren gaan, maar eeuwig in Hem leven.

Wij geloven dat God de wereld heeft liefgehad. Uiteraard willen wij dat graag geloven. Hij is toch de Schepper van hemel en aarde? En Hij zag dat alles goed was zó. Hij moet de mensen wel graag gezien hebben, als Hij hun die aarde ten geschenke geeft en Hij die hemel voorbestemt.

Geloof is dan: wederliefde. Geloven is simpelweg en consequent het gegeven geschenk aanvaarden: de goede aarde, onze woonplaats.

Dat doen wij ook, zeggen wij: dat geschenk aanvaarden, heel graag en volop. Maar zodra het geschenk eenmaal in ontvangst genomen is, vergeten wij dat het zijn doel en zin verliest, als wij raken aan de eigenheid ervan en voorbijgaan aan zijn grenzen: als wij er een Babel van maken, een holocaust, het Irak van onze dagen.

Wat dan als die wereld eigen wegen gaat, los van God, weg van God, zonder God, tegen God? Als God ziet dat alles niet meer zo goed is, als Hij constateert wat de wereld, wat wij van zijn oorspronkelijke droom hebben gemaakt, dan mag je toch verwachten dat Hij ermee ophoudt?

Maar dan nog - dan opnieuw, dan meer dan ooit - heeft God de wereld, heeft Hij ons zozeer liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven. Zijn liefde kan niet anders dan doorgaan, voortgaan, overgaan naar een tweede, een extra geschenk: zijn eigen Zoon, zijn enige, zogoed als zijn eigen leven, zichzelf.

Wie geeft er nu het kostbaarste dat Hij bezitten geschenke aan iemand die er niet eens om vraagt, er niet dankbaar voor is, het niet verdient, het niet waard is, het niet wenst of niet wil? Tenzij: uit liefde. Zozeer heeft God de wereld liefgehad.

Geloven is wederliefde, is zonder meer en consequent het geschenk aanvaarden: Jezus Christus aanvaarden, zo eenvoudig en onkreukbaar, zo goed en wijs als Hij was in zijn leven, zo kwetsbaar en machteloos als Hij was aan het kruis.

Geloven is het kruis aanvaarden als teken van Gods liefde: het teken van het leven, niet van de dood; het teken van de overwinning, niet van het verlies of de mislukking: opdat wij allen zouden leven en niet verloren gaan.

Een mooi lied zingt: 'Van liefde komt groot lijden.' Het is een universele menselijke wijsheid. Zij heeft ook alles te maken met de kern van ons christelijk geloof.

Als liefde lijden met zich brengt, wordt die liefde dan niet zinloos, juist omdat zij toch op lijden uitloopt? Of kun je andersom zeggen: lijden wordt zinvol, omdat het uit liefde voortkomt of door liefde gedragen wordt? Op zich is lijden nooit zinvol, hoe dan ook niet. Dat kan de Schepper van alle goeds die de wereld zozeer heeft liefgehad, niet hebben gewild of bedoeld.

Anderzijds kan de manier waarop mensen met hun lijden omgaan en leven, wél zinvol zijn en dat kleurt het geheel totaal anders in: als lijden gesteld wordt in het teken van het kruis, dat wil zeggen: in het teken van vertrouwen en overgave, in het teken van de gegeven liefde tot het uiterste.

Leven krijgt zijn zin van de liefde, ook het leven door lijden getekend. Lijden is geen mislukking van de liefde. Het kan er een bevestiging van zijn. Dat belijden wij, als wij zeggen dat wij door Jezus' kruisdood verlost zijn.

Maar dat neemt niet weg dat liefde in het concrete leven mislukken kan. Spontaan denken wij dan aan de vele mensen die elkaar hartstochtelijk graag zien, en dan plots niet meer. Mislukte liefde. Elk van mijn dagen wordt erdoor getekend: mijn onverzoenlijkheid, mijn onbegrip, mijn gebrek aan attentie. De hele samenleving wordt er dagelijks door getekend: oorlog, onrecht, onverdraagzaamheid.

Mislukte liefde: zullen wij ze dan ook maar in deemoed neerleggen aan de voet van Jezus' kruis en toevertrouwen aan het mysterie van Gods barmhartigheid?

Want zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eengeboren Zoon heeft gegeven - te sterven en te leven - opdat niets van wat door Hem geschapen is, niets van wat in liefde geboren is, verloren gaat, maar dat alles wat ook maar enigszins naar liefde hunkert en smeekt, eeuwig leven zal.