Bookmark and Share

Zesde zondag door het jaar B - Marcus 1, 40-45

Hier eindigt het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Marcus. Je staat er verwonderd over, hoeveel er verteld wordt en hoe kernachtig de auteur alles samenvat en zich tot de hoofdzaken beperkt. Het begint met het verhaal van Johannes de Doper. Jezus laat zich door hem dopen en trekt zich terug in de woestijn.

Dan begint wat zich aankondigt als het succesverhaal van Jezus van Nazareth. Hij verkondigt de Blijde Boodschap in Galilea, omringt zich met enkele getrouwen, trekt zich regelmatig in de stilte terug. Hij drijft boze geesten uit en geneest zieken. Drie mirakelverhalen staan opgetekend in nog steeds ditzelfde eerste hoofdstuk.

Marcus geeft duidelijk aan dat Jezus de verkondiging als zijn voornaamste opdracht ziet: 'Laat ons naar de dorpen in de omgeving gaan, zodat Ik ook daar kan prediken. Daartoe immers ben ik uitgegaan.' Anderzijds wordt heel weinig gezegd over de inhoud van Jezus' spreken: 'De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap.' Dat is alles; meer vernemen wij niet.

Marcus geeft ook aan dat Jezus het belangrijk vindt zich in de eenzaamheid terug te trekken om te bidden. Ook hierover wordt niet verder uitgeweid of worden geen details gegeven.

Des te meer aandacht besteedt het verhaal aan het derde aspect van Jezus' zending. Hij genas zieken en dreef de boze geesten uit. Het moet dus wel zijn dat dit derde aspect alles te maken heeft met beide vorige: dat het de vertaling in concreto is van zijn prediking enerzijds en zijn intieme gesprek met de Vader anderzijds. De tijd is vervuld: de tijd van de profetie dat aan de armen de Blijde Boodschap wordt gemeld, aan blinden dat ze weer zullen zien en aan gevangenen dat ze worden bevrijd.

Het derde aspect van Jezus' zending is de dienst, de strijd tegen het lijden, de zorg voor de medemens, geschonden naar ziel of lichaam: bezeten, koortsig, melaats.

Het leven in Jezus' tijd speelde zich af op drie plaatsen: in de synagoge, in huis en in de openlucht, op het plein en in de straten van het dorp. Daar leefden de mensen. Daar namen levende mensen deel aan het leven van de gemeenschap, met als drie allesomvattende facetten: het religieuze, het familiale, het sociaal-economische.

Ziek zijn is uiteraard een individuele aangelegenheid, maar de pijn en het lijden die ermee samengaan, worden daarenboven belast en verzwaard door het onvermogen van de zieke om hetzij volop, hetzij slechts enigermate deel te nemen aan het leven van de gemeenschap.

De bezetene in de synagoge had geen deel aan het religieuze leven van zijn medemensen. De zieke huisgenote van Petrus kon niet functioneren in en deelnemen aan het leven van het gezin. De melaatse kon of mocht helemaal niet participeren in het dorpsleven van elke dag. Het is trouwens in de eerste plaats de gemeenschap zelf die - toen net als nu - zichzelf zo opstelt en definieert dat wie niet functioneert, wie niet rendeert, wie niet efficiënt is, wordt uitgesloten en uitgestoten.

Wij kunnen ons moeilijk een adequate voorstelling maken van Jezus' wonderen, zijn genezingen en duivelbezweringen. Wij hebben het er moeilijk mee dat er zomaar 'goddelijk' wordt ingegrepen tegen de krachten van de natuur in, zoals die toch door God zelf geschapen is. En toch! Dat er iets met de noodlijdenden gebeurd is dat hun nood en hun lijden heeft omgekeerd ten leven, dat is onmiskenbaar.

In de drie verhalen, het ene na het andere, is het duidelijk Jezus' wil om de maatschappelijke ban te breken. Hij aanvaardt niet dat mensen worden uitgesloten om welke reden dan ook. Dat manifest klopt niet met zijn Blijde Boodschap.

De maatschappij verwachtte van Hem, de nieuwe leraar, dat Hij de algemeen geldende idee zou bekrachtigen dat alle ziekte met zonde te maken had. Normaal gesproken had Hij dus de bezetene uit de synagoge moeten bannen, want die hoorde er niet thuis. Normaal gesproken had Hij Simons schoonmoeder de les moeten spellen en haar moeten vermanen. Normaal gesproken had Hij de melaatse moeten afwijzen, mijden als de pest, en zelfs aangeven bij de overheid.

Op eigen gezag echter en tegen het officiële gezag in, gaat de nieuwe leraar meteen in tegen de maatschappij en haar vastgeroeste patronen. Hij doorbreekt de bankring; Hij herstelt de band. Niet de bezetene wordt aan de deur gezet, maar de boze geest. En de zieke vrouw neemt Hij bij de hand om haar terug in de kring te plaatsen. En de melaatse raakt Hij aan ten teken dat Hij zijn eigen lot verbindt met dat van de andere, de uitgestotene.

Het herstellen van de band met de gemeenschap van de levenden is essentieel voor genezing, voor heling van de geschonden geest of het geschonden lichaam. Ook voor de maatschappij zelf geldt dit als een signaal. 'Bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap.' Dat wil zeggen: tot de eerste taak van een menselijke gemeenschap, op welk domein dan ook, behoren de zorg en de openheid voor al wie getekend en geketend is, voor al wie door de wetten van efficiëntie en rendement enkel bestemd lijkt voor uitsluiting en uitstoting.

Er is echter nog iets dat opvalt in elk van de drie verhalen, namelijk dat Jezus telkenmale ook iets verwacht van de zieke zelf: Ik wil dat je stil wordt; Ik wil dat je opstaat; Ik wil dat je rein wordt. Ik doe een beroep op je medewerking. Alleen kan Ik het niet. Je moet er zelf ook in geloven. Ook voor ieder van hen gelden zijn woorden: 'Bekeer u en geloof in de Blijde Boodschap.'

Zoals de gemeenschap geroepen wordt zich open te stellen voor al haar leden, de minsten en de kleinsten eerst, zo wordt iedere mens individueel en persoonlijk ertoe opgeroepen zich niet aan eenzaamheid of mislukking gewonnen te geven, maar altijd opnieuw open te staan en de hem aangereikte hand te grijpen.

Hier eindigt het eerste hoofdstuk van het evangelie volgens Marcus. Het is als een preludium dat reeds alle themata bespeelt van het verderop verhaalde leven en werk van Jezus van Nazareth. Het kondigt zich aan als een succesverhaal, maar dat is het niet. De confrontatie met de tegenkrachten speelt reeds mee; ze zal verder uitgroeien tot de ultieme consequentie van het kruis.

Vanaf het begin ook stelt de nieuwe leraar zijn programma voor aan - zijn leerlingen, aan hen die in zijn voetstappen willen treden, die zijn volgelingen willen zijn. Christenen zullen zij genoemd worden, terecht of ten onrechte.

Meteen worden ook wij die sinds ons doopsel deze naam dragen, uitgenodigd om deel te nemen aan de drie aspecten van Jezus' zending: de verkondiging, het gebed, de dienst. Alle drie behoren ze tot onze taak, maar elke roeping krijgt tegelijk een eigen accent.

Bij sommigen ligt de klemtoon op verkondiging. Dat zij een diepe eerbied hebben voor de waarheid. Dat zij sober zijn in hun spreken, maar ook enthousiast. En dat zij recht op het doel afgaan: aan hunkerende en aan hardleerse oren laten horen dat de tijd vervuld is, dat het Rijk nabij is, dat eenieder geroepen is tot ommekeer en geloof in het goede nieuws van God.

Bij sommigen ligt het accent op stilte en gebed. Dat zij levende tekenen zijn van het onophoudelijke woordeloze gesprek dat de Vader met zijn kinderen wil voeren. Dat zij aan de boodschappers en aan de mensen van de actie vanuit dit gesprek steeds opnieuw inspiratie en inzicht bijbrengen en gestalte geven aan onze dankbaarheid en ons vertrouwen.

En mogen wij allen, als christelijke gemeenschap van dienstbaarheid, Jezus' bezwerende woord van bevrijding spreken en zijn uitgestoken hand van genezing zijn: dat al wie geïsoleerd in het leven staat - om welke reden dan ook - zich van harte ertoe uitgenodigd weet en onweerstaanbaar aangetrokken voelt, volop in de kring van de levenden te staan en te geloven in de Blijde Boodschap.