JAAR B DHJ 18 - Dionysiusparochie
Bookmark and Share

Achttiende zondag door het jaar B - Johannes 6, 24-35

Dit evangelie is een uitloper van dat van vorige zondag, het verhaal van de broodvermenigvuldiging. Zoals gebruikelijk bij de evangelist Johannes loopt ook dit wonderverhaal geleidelijk aan over in een gesprek tussen Jezus en zijn volgelingen of toehoorders. Dat gaat dan steeds over geloof en ongeloof, over aanvaarding of afwijzing van zijn persoon, zijn zending en zijn boodschap.

Even gebruikelijk is in de woorddienst van de liturgie de parallel tussen het evangelie en de voorafgaande eerste lezing. Vandaag tussen enerzijds het verhaal van het mannawonder in de woestijn ten tijde van de uittocht van het uitverkoren volk, de doortocht door de woestijn, de tocht naar het land van belofte. En anderzijds het verhaal van het broodwonder ten tijde van de nieuwe uittocht, de definitieve doortocht, de levensweg van Jezus naar het land van zijn Vader; en wij, zijn gelovig volk - zo wil Hij het - met Hem mee.

Het mannawonder: een mysterieus gebeuren met een voor de hand liggende betekenis: er is onverwacht weer voedsel voor de hongerende mensen. Maar veel meer dan dat is er de achter de hand liggende tekenwaarde: er is steeds een God van leven voor de levenshonger van de mensen.

Het mirakel van de broodvermenig-
vuldiging: evenzeer een wonderbaarlijk gebeuren met eenzelfde voor de hand liggende betekenis: onverwacht is er voedsel, voldoende voor vijfduizend hongerige mensen. Maar veel meer dan dat is er de achter de hand liggende tekenwaarde, hét teken, zoals Johannes het noemt: Jezus ís ons voedsel. Jezus ís het Brood van het leven.

In de vakantie gaan velen van ons de buitenlandse toer op. De verste landen, de vreemdste culturen bevreemden ons amper. Vreemde talen lokken ons aan; en wij doen ons best om ze te verstaan en zelfs een mondje mee te praten.

Tot onze verwondering komen wij dan nogal eens tot de vaststelling dat er woorden zijn waarvan geen vertaling mogelijk of nodig is, omdat zij overal hetzelfde zijn en klinken als in onze eigen taal. Auto bijvoorbeeld is overal auto. Zeker in de voedingssector valt dat op: een steak is en blijft een steak. En probeer maar eens het woordje 'croissant' te vertalen zonder dat er een heel ander gebak voor de dag komt.

Nu wij het toch over voedsel hebben, daar gaan onze beide schriftlezingen ook over. En in de eerste lezing treffen we zo'n internationaal woordje aan, een Hebreeuws woord van drieduizend jaar oud dat in alle talen waarin de Bijbel werd vertaald, onvertaald zichzelf is gebleven: manna is manna, en daarmee uit.

De volgende morgen, zo vertelt het oude verhaal (dat wil zeggen: de dag nadat de Israëlieten zich bij Mozes hadden beklaagd over voedselgebrek en honger -'waren wij maar in Egypte gebleven!')... de volgende morgen lag er over de woestijnbodem een dunne korstige laag, alsof de grond met rijp bedekt was. Zij zagen het en vroegen: wat is dat? Zij wisten immers echt niet wat het was. Mozes legde het hun uit met één enkel woord: manna, zei hij. En meteen leken de Israëlieten te weten en te snappen wat 'manna' te betekenen had.

Benieuwd en verwonderd hadden zij de vraag gesteld: wat is dat? In het Hebreeuws: 'Man hoe?' 'Man hoe' wil gewoon zeggen: wat is dat.

En Mozes antwoordde met een kleine, blijkbaar verhelderende woordspeling: 'Manna.' Manna wil zeggen: dit is het!
Man hoe - wat is dat?
Manna - dát is het!
Niet alleen: dit is wat brood, dit is een soort brood, dit is een soort op brood gelijkend woestijnvoedsel; eet maar. Het is misschien niet het lekkerste, maar het is heel voedzaam, probeer maar...

Maar vooral: mensen, dát is het. Dit is de ontdekking van ons leven. Wij die dachten dat God ons in de steek had gelaten in de woestijn van onze honger, wij zien met nieuwe ogen - dát is het - dat Hij ons niet in de steek laat. Hij biedt aan onze levenshonger een land van melk en honing, een land van overvloed en zegen.

De mensen die Jezus' broodwonder hebben meegemaakt, vragen zich ook af: Wat is dat? Man hoe? Wat-is-me-dat? Zij stellen Hem de vraag: wat voor teken doet Gij dan wel dat wij in U zouden geloven? Hij antwoordt niet: 'Manna', dát is het. Maar, meer dan dat: Ik ben het! Ik ben het Brood van het Leven.

Brood, voldoende voor vijfduizend, is teken geworden voor: Jezus, voldoende voor alle mensen en alle leven.

Of anders uitgedrukt: God die leven is voor de levenshonger van alle mensen, is te zien en te ontdekken in deze ene man Jezus, een mens, zo simpel en broos als mensen zijn, en die zichzelf aan ons voorstelt met het aanbod: 'Neem Mij, want Ik ben het.'

Zo laat dus de evangelist Johannes gewoontegetrouw zijn wonderverhaal uitmonden in de kernvraag van het geloof in Jezus: neem je Mij of neem je Mij niet?

De kernvraag, het kernpunt van ons christelijk geloof.

Bij al wat wij mensen hebben en zijn en bij al wat ons ontbreekt en pijn doet, bij onze rijkdom en onze armoede, bij al wat wij verlangen en nastreven, onze nood en onze honger, te ontdekken en te aanvaarden dat Hij het is.

Hij is het antwoord op onze diepste levensvragen. Hij is het die zin geeft aan wat wij zijn, denken en doen. Omdat Hij, Zoon van God en Mensenzoon, de Levende voor alle leven, zichzelf als voedsel schenkt, zijn leven ten geschenke aanbiedt, zich helemaal ten dienste stelt, en tegelijk ons de ene boodschap heeft gebracht, dat ene nieuwe gebod: heb elkander lief, zoals Ik u heb liefgehad.

Hij zegt: Ik ben het! Hij zegt: doe gij zoals Ik! Blijf niet op je honger zitten, maar eet. Sta op en ga verder om zelf brood te breken en te delen, om zelf brood te zijn, een teken te zijn van leven en liefde.

Zo vieren wij het eeuwige avontuur van het mannawonder, het steeds opnieuw gebeuren van het broodwonder van zegen en overvloed.

Zo vieren wij eucharistie, het teken van de tekenen: een stukje brood, voor alle eeuwen een teken ons gegeven van leven. Sacrament van de verrijzenis. God die blijvend in ons midden is.