JAAR B DHJ 16 - Dionysiusparochie
Bookmark and Share

Zestiende zondag door het jaar B - Marcus 6, 30-34

Binnen het geheel van het Matteüsevangelie is de tekst van vandaag het directe vervolg op die van vorige week. Het is goed om die nog even op te frissen voor een goed begrip van wat wij net gelezen hebben.

De Heer Jezus heeft de twaalf die Hij als zijn leerlingen had uitgekozen, op tocht gestuurd voor hun eerste stage als zijn medewerkers in de verkondiging met woord en daad van de Blijde Boodschap. Daarom noemt het beginvers van de dagperikoop hen apostelen, hetgeen de geëigende term is voor hen die geroepen zijn: door de Meester belast met de opdracht zijn gezanten te zijn. Het is trouwens de enige keer in heel zijn geschrift dat Marcus het woord apostel gebruikt.

 Zoals iedereen in deze heuglijke periode in de ban verkerend van de grote vakantie, hebben wij de raadgevingen die de Heer hun meegaf vóór hun afreis, gelezen met een vakantiebril op: als tips voor mensen die op vakantie gaan. In eerste instantie leek hun zending daar ook wel sterk op. En de raadgevingen waren navenant: twee aan twee, in alle eenvoud en soberheid, vrij van beslommeringen en met veel aandacht voor menselijke ontmoetingen.

Op het eerste gezicht dus echt wel waardevolle vakantietips. Ons besluit was echter heel wat ruimer: dat zendingswerk, getuigenis, apostolaat, christen-zijn in het algemeen in feite behoefte heeft aan en getekend moet zijn door een voortdurende en overvloedige vakantiementaliteit. Dat wil zeggen: open en vrij, open voor de mensen en vrij voor de dienst.

Een besluit in de marge was dat vakantie voor christenen als dusdanig een gunstige gelegenheid en een ideale tijd is om zich in die mentaliteit te oefenen, zich te oefenen in saamhorigheid en openheid, in vrijheid en dienstbaarheid.

Als de apostelen terugkomen van hun korte missiereis in de omgeving, brengen zij verslag uit. Jezus' onmiddellijke reactie is er een van: nu moet je wel moe zijn, nu heb je behoefte aan wat rust, aan wat tijd en ruimte om een en ander te laten bezinken. 'Kom nu eens zelf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.'

Wanneer het evangelie van vorige week slechts in een overdrachtelijke of figuurlijke betekenis over vakantie ging, dan gaat het deze week toch wel heel uitdrukkelijk daarover. In elk geval over een wezenlijk aspect van vakantie dat toen niet aan bod is gekomen en nu wel: rust, tot rust komen, uitrusten. Is dat niet het allerbelangrijkste kenmerk van vakantie? En meteen ook het belangrijkste motief voor vakantie?

Rusten kan meerdere vormen aannemen en verschillende ladingen dekken. Zich eens extra moe maken kan mensen soms echt tot rust brengen. Maar wij moeten vaststellen dat mensen, als zij van vakantie terugkeren, dikwijls zo moe zijn dat zij dan pas dringend aan rusten toe zijn. En dan schort er iets. Maar wat wil je, als men voor zijn vakantie precies de drukte opzoekt?

In het evangelie is wel degelijk wat anders bedoeld: uitrusten van de vermoeienis die het gevolg is van intens gedane arbeid - zij het dan met de vakantiementaliteit van de apostel - en daarvoor de drukte ontvluchten en in de plaats daarvan een rustig plaatsje opzoeken. 'Kom nu eens zélf mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en rust daar wat uit.'

Je zou geneigd zijn om aan die woorden van de Heer Jezus toe te voegen: 'Zoals Ikzelf net gedaan heb, terwijl jullie weg waren.' Want dat is inderdaad een vraag die wij ons terecht kunnen stellen bij dit Bijbelverhaal: wat deed de Heer tijdens de periode dat zijn apostelen op zending waren? Dat wordt niet verteld. Maar ligt het niet voor de hand dat Hijzelf de stilte heeft opgezocht, binnenskamers thuis of op een Hem vertrouwd geheim plekje in de omgeving, om er alleen te zijn en uit te rusten, rust te vinden in het gebed, het stille gesprek met zijn Vader?

En klaarblijkelijk is Hem dat gelukt ook. Dat kun je min of meer opmaken uit de woorden waarmee Hij zijn medewerkers bij hun thuiskomst verwelkomt: 'Kom nu eens zélf mee, juist zoals Ik net gedaan heb, naar een eenzame plek om wat tot rust te komen en de wederwaardigheden te verwerken van je eerste zendingsopdracht.'

Maar dan komen meteen de volgende bedenking en de volgende vraag: hun is dat blijkbaar niet gelukt, hun 'vakantie' is blijkbaar een flop geworden. Want de mensen hebben het in de gaten gekregen, zij hebben het geraden waar de Heer met de twaalf te vinden zou zijn. Daar hebben zij zich in groten getale verzameld, zoals steeds vol verwachting uitziend naar de zegen van zijn aanwezigheid.

Van de reactie van de leerlingen is verder geen sprake meer. Heeft de Heer hen misschien toch nog uit de drukte kunnen loodsen naar het hun beloofde stille plekje? In ieder geval zijn zij in de context van het verhaal weer helemaal leerling geworden. De Meester heeft het opnieuw van hen overgenomen. Jezus heeft het roer opnieuw in handen genomen. 'Toen Jezus aan land ging, zag Hij een grote menigte. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder; en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.'

Een eerste stelregel van het zendingswerk, van de verkondiging van de Blijde Boodschap, van het christen-zijn is: de nodige gemoedsrust, een vakantiementaliteit, een omgang met mensen in openheid en vrijheid die rust uitstraalt.

Een tweede stelregel is: om dit aan te kunnen, om dit vol te houden moet je bij tijd en wijle zelf uitrusten, tot rust komen.

Een derde stelregel is dat je nooit ofte nimmer tegen mensen die wat van je verwachten, kunt zeggen (in de volle zin van het woord): laat mij met rust, laat me in godsnaam gerust!

Een herder is altijd in vakantiestemming. Hij heeft behoefte aan vakantie. Voor een herder is het echter nooit helemaal vakantie.

Zo zijn wij aan het slot gekomen van dit merkwaardige dagevangelie: blijkbaar een alledaagse anekdote, maar dan wel een met een onvermoede rijke en diepe betekenis.

Zoals steeds zullen wij vooral deze slotzinnen van de evangelielezing onthouden, in elk geval beter dan de rest. Dat is nu eenmaal zo met schriftlezingen. Iedere luisteraar rekent daarenboven onbewust met de logica dat dit slotdeel tegelijk het belangrijkste deel is: de pointe, de samenvatting, de kern van de boodschap.

'Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder; en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten.'

De mensen, wij allemaal, zijn die schapen die een herder nodig hebben en opzoeken. Jezus is de herder, de Goede Herder. Hij kent zijn taak. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid op: Hij onderricht hen uitvoerig, zegt de evangelist Marcus.

En dat is echt Marcus, dat weten wij intussen reeds heel goed. Hij heeft het over onderricht en beschrijft dat als 'uitvoerig'. Maar een toespraak of een verslag daarvan geeft hij niet, hier niet noch elders. Wel vind je hier of daar een klein allegorisch verhaal of een parabel, een kernachtige zegswijze of een volkswijsheid, een zalvend of troostend woord.

Het 'uitvoerige' onderricht van de Heer is volgens Marcus klaarblijkelijk geen kwestie van preken en uitleggen en wetenschap debiteren en normen opleggen, maar een kwestie van doen: mensen aankijken en zich laten raken door hun noden; vastgelopen en geïsoleerde mensen aankijken en hen verrassen met een simpel woord of een helend gebaar dat een onverwacht lichtje doet schijnen in hun duistere werkelijkheden. Inderdaad zoals een herder uitvoerig in gesprek is met zijn schapen: in een onophoudelijk maar grotendeels woordeloos gesprek.

De opdracht van wie door Jezus geroepen en uitgezonden wordt als zijn medewerkers, de taak van de leerling, de apostel, kortom christen-zijn in het algemeen is, in navolging van de Meester, niet zozeer een kwestie van veel weten en zeggen en praten, als wel in de eerste plaats van door je levensgetuigenis, je gemoedsrust en je solidariteit, je openheid en je beschikbaarheid, mensen doen aanvoelen dat er voor ieder kind van God vrede en geluk zijn weggelegd, dat er voor ieder schaap van de kudde groene weiden en vredige wateren zijn.