Bookmark and Share

Elfde zondag door het jaar B - Marcus 4, 26-34

Het Marcusevangelie dat in deze B-cyclus hoofdzakelijk de dienst uitmaakt, is verreweg het kortste van de vier evangelies. Dat komt doordat de auteur veel minder woorden van Jezus in zijn tekst heeft opgenomen dan zijn collega's. Hij is vooral een verteller van Jezusfeiten: zijn wonderbare genezingen en andere mirakels.

Bij Marcus vind je geen toespraken of redevoeringen, zoals bij Matteüs of Johannes bijvoorbeeld. Dat betekent geenszins dat wij hij hem niet of in mindere mate vernemen welke de inhoud van Jezus' boodschap is. Die komt rijkelijk aan bod. Maar Marcus blijft bij de kern, bij de hoofdzaken en gaat minder in op het detail.

Ook met parabels vertellen springt hij karig om. In het vierde hoofdstuk heeft hij er een vijftal samengebracht. Maar dat is het dan ook, op een enkeling na die veel later opduikt, namelijk in hoofdstuk 12, als Jezus na zijn intocht in Jeruzalem enkele dagen in de tempel zelf onderricht geeft en met de farizeeën discussieert, ten einde toe zou je kunnen zeggen.

De eerste parabel in ons hoofdstuk 4 is tamelijk uitgebreid. Het betreft de bekende parabel van de zaaier. Daarop volgt een viertal vrij beknopte gelijkenissen waarvan in het evangelie van vandaag er twee aan bod komen. De tweede daarvan is ook al een heel bekende, die Marcus gemeenschappelijk heeft met Matteüs en Lucas: de parabel van het mosterdzaadje, over de enorme groeikracht van Gods woord en genade, ook al is het in de kiem nog zo onooglijk klein.

De eerste gelijkenis van vandaag komt opvallend genoeg enkel bij Marcus voor. Daarom reeds verdient hij ruimschoots onze aandacht. Wij noemen hem maar: de parabel van de boer.

Parabels hebben mijns inziens vaak een positieve, optimistische ondertoon. Dat is zeker zo wat die twee van vandaag betreft. Het minste dat je ervan kunt zeggen, is dat de Heer Jezus erin gelooft: gelooft in zijn zaak, gelooft in het Rijk dat nabij is en onweerstaanbaar komen zal.

Als mensen die min of meer goede kennissen of vrienden zijn, elkaar ontmoeten nadat ze elkaar een tijdje niet meer hebben gezien, dan begroeten zij elkaar vaak in de vorm van een stereotiepe vraag-antwoorddialoog.

Hoe maakt u het? Goed, dank u.
En hoe gaat het met u? Ook goed, dank je wel.
Dikwijls wordt de vraag iets meer gedetailleerd, al blijft het allemaal vaag en algemeen.

Hoe gaat het met het leven, hoe gaat het met de gezondheid, met de familie, met de zaken, met de school, met de examens?

En het klassieke, ietwat banale en vlugge antwoord daarop blijft: goed, goed, het gaat wel, dank je, zo goed als het kan.

Het is niet gebruikelijk dat in een preek grapjes verteld worden, maar eentje af en toe mag toch wel eens. Kent u dat van die twee pessimisten die elkaar ontmoeten? En de een vraagt aan de ander: hoe gaat het met je? En de ander antwoordt: beter dan morgen. Maar ja, daar zijn het dan ook pessimisten voor.

Maar als wij onze ogen goed opendoen en zien wat er in de wereld gaande is aan onrecht en onvrede, wat er in onze kerk bijvoorbeeld gaande is aan leegloop en ongeloof, is dan zo'n pessimistisch antwoord niet heel dicht hij de realiteit? Je moet wel een naïeve optimist zijn om dan te zeggen: het gaat goed.

In Jezus' tijd was het niet anders. Het land was bezet door een vreemde mogendheid. Het eigen volk ontaardde door collaboratie en corruptie.

Gewone lieden werden uitgebuit en gingen gebukt onder het juk van talloze taboes.

En toch, als Hem de vraag gesteld wordt: Hoe gaat het? Hoe gaat het met het Rijk Gods waarvan Gij u aanmeldt als de profeet en de Messias, de langverwachte, precies omdat het zo onmogelijk slecht gaat? - ook dan klinkt zijn antwoord: met het Rijk Gods gaat het goed.

Met het Rijk Gods gaat het zo goed als met een goede, gezonde, verstandige boer.

En wat is dat dan: een goede, gezonde, verstandige boer?

Nooit gehoord van gezond boerenverstand? Dat heeft iemand die hard werkt, zaait, kwistig en gul en altijd opnieuw zaait als er te zaaien valt, en oogst als daarvoor de tijd gekomen is, als de tijd rijp is. Maar die ook weet dat als hij eenmaal gezaaid heeft, het zaad zelf het werk zal overnemen. Moeder Natuur of beter Vader Schepper neemt zelfde zaak van het zaad in handen.

Moet de goede, gezonde, verstandige boer dan niets meer doen? Jawel; opstaan en slapen gaan, opstaan overdag en slapen gaan 's nachts. In casu opstaan overdag wil zeggen: geduldig zijn. En slapen gaan 's nachts: vertrouwen hebben.

Iedere dag en ieder uur in het Rijk van God is een dag en een uur van gulheid en edelmoedige goedheid bij het zaaien en van vertrouwen en geduld bij het uitzien naar de oogst.

Het gaat goed met het Rijk Gods, met de wereld, met de kerk, zegt Jezus. Want Ik zaai het zaad waar en wanneer er te zaaien valt. En Ik heb geduld: Ik kan dulden en dragen alle leed en lijden dat te dulden valt.

En Ik vertrouw het toe aan mijn Vader, die aan het zaad zijn eigen scheppingskracht geschonken heeft.
Ja, het gaat goed met het Rijk Gods.

Hij ging zijn land weldoende rond en genas de zieken. Hij bedwong het kwade en vertelde aan wie het horen wilde het goede nieuws van Gods barmhartige mensenliefde.

Ja, het gaat goed met het Rijk Gods.

Hoor Hem, de optimist, zeggen zijn bevragers en belagers die heel wat anders verwachten van dat komende Rijk: vuur en geweld, hard tegen hard. Hoe wil je anders de oude orde herstellen en de mislukking ongedaan maken?

Hoor Hem, de naïeveling, zeiden zij. Wij zullen wel eens zien. En zij grepen Hem vast en kruisigden Hem.

Het allerkleinste zaad van de zaden, in de aarde gevallen om er te sterven, zal uitgroeien tot een boom des levens, een levensboom boven op de berg en wereldwijd waarin plaats is voor de grijze mussen die wij zijn, en voor de meest rare en vreemde vogels van allerlei pluimage die de anderen zijn.

Ja, het gaat goed met het Rijk Gods.