Bookmark and Share

Tiende zondag door het jaar B - Marcus 3,20-35

Dit is allerminst een gemakkelijk evangelie.

Het grote middendeel gaat eens te meer over de confrontatie tussen Jezus en zijn tegenstanders. Dit heen en weer hier gebeurt op het scherpste scherp van de snede.

De verwijten die de schriftgeleerden Hem toesturen, zijn niet de minste. Hij is een bedrieger, een bondgenoot van de satan die goed weet wat Hij doet en die het gewoonweg slecht bedoelt. Het kwade obsedeert Hem. Hij is er zonder meer door bezeten.

Jezus' repliek is op haar beurt niet mis. Hij noemt hun handelwijze onvergeeflijk, omdat zij elke mogelijkheid weigeren onder ogen te zien dat in Hem God aan het werk zou zijn. Op die manier, zegt Jezus, plaatsen zij zich buitenspel ten aanzien van Gods barmhartigheid zelve. Laten wij voor de gelegenheid onze aandacht verder besteden aan wat aan dit twistgesprek voorafgaat en wat erop volgt.

Het is immers de enige passage in het evangelie waar sprake is van zijn familie, verwanten of naasten en van een poging door hen ondernomen om contact met Hem op te nemen. Het is een tere aangelegenheid en toch kun je er niet zomaar aan voorbijgaan. Het minste dat je ervan kunt zeggen, is dat deze relatie niet opperbest is.

Voorafgaand aan de discussie met de schriftexperts uit Jeruzalem is er slechts één enkele zin die het over deze situatie heeft. Maar die spreekt voor zichzelf en er is heel wat uit af te leiden.

Jezus' familie behoort niet tot zijn aanhangers of volgelingen. Zij geloven niet in Hem, niet in de brede, laat staan in de enge zin van het woord. Zij denken zelf of hebben horen vertellen dat Hij niet goed bij zijn verstand is, gelet op alles wat Hij doet en zegt. Misschien bedoelen ze het niet verkeerd en willen ze Hem tegen zichzelf in bescherming nemen door Hem mee naar huis te loodsen. Of in elk geval willen zij zichzelf beschermen wat de goede naam van de familie betreft, en die was in die tijd heel belangrijk.

Er wordt met geen woord gerept over Jezus' reactie. Heeft er een gesprek plaatsgevonden of niet?

Duidelijk is dat Hij geenszins ingaat op hun insinuatie en dat Hij hun geen enkele zeggenschap verleent over zijn optreden, zijn levenskeuze, zijn zending, zijn boodschap.

Blijkbaar zijn ze met lege handen naar huis teruggekeerd. Uit wat volgt - weliswaar op de discussie met de kerkleiders - blijkt dat zij allicht op een andere keer met hetzelfde doel zijn teruggekomen.

Vooraleer daarop in te gaan verwijzen wij naar een andere Bijbeltekst, uniek in het Marcusevangelie en letterlijk overgenomen door Matteüs, waar zij het hebben over zijn optreden in de synagoge van het dorp van zijn jeugd, Nazareth. Niet dat zijn Familie daar ook actief naar voren treedt of zelf als aanwezig gemeld wordt; maar ze worden er wel bij genoemd, met naam en toenaam zou je kunnen zeggen.

Marcus zegt in hoofdstuk 6, vers 2 en volgende, dat de talrijke toehoorders verbaasd vroegen: 'Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten? Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?'

Wij gaan niet in op de aard van de familieband wat die broeders en zusters van Jezus betreft. De discussie daaromtrent is voldoende gevoerd om aan te nemen dat die termen gebruikelijk waren voor het aanduiden van een ruimere kring verwanten die tot dezelfde familieclan behoorden. Ook neven en nichten behoorden daartoe.

Evenmin gaan wij in op de namen die zijn genoemd. Die komen wij nergens nog tegen behalve één enkele: Jakobus. Schriftkenners menen dat deze Jakobus, de broeder van de Heer, in elk geval geen van beide apostelen was met diezelfde naam, maar dat hij wel, eerst een tegenstander van Jezus, later is toegetreden tot de kring van zijn volgelingen en dat wij hem terugvinden als een belangrijke leidende figuur in de eerste christengemeenschap van Jeruzalem: de schrijver ook van de nieuwtestamentische brief en actief op het eerste concilie, zoals vermeld in Handelingen, hoofdstuk 15.

Maar dan is er uiteraard nog Maria! 'Is dat niet de zoon van Maria?' wagen de mensen in de synagoge van Nazareth. En in ons verhaal van vandaag, als de familie voor de tweede keer haar opwachting maakt, spreekt de evangelist uitdrukkelijk van zijn moeder en zijn broeders. 'Uw moeder en uw broeders staan buiten en vragen naar U.' Zij was er klaarblijkelijk niet bij, de eerste keer. Hebben de broeders haar er misschien van overtuigd de tweede keer met hen mee te komen om hun rangen te versterken en hun invloed te vergroten?

Dan komt logischerwijze de vraag of ook zijn Moeder niet in Hem geloofde, of ook zij Hem tegen zichzelf in bescherming wilde nemen en mee naar huis probeerde te krijgen, of ook zij zeggenschap meende te hebben over zijn levenskeuze, zijn zending, zijn optreden, zijn boodschap.

Wij zeiden reeds dat dit een tere aangelegenheid is, een stukje evangelie dat heel gevoelig ligt. Je kunt je toch in de verste verte niet indenken dat in het evangelie ook maar één enkel onvertogen woord gesproken wordt over Jezus' moeder, over de Moeder Gods. En toch staat er wat er staat.

De Mariaverering in onze kerk wordt nochtans uitvoerig gebaseerd op de evangelies en wat daarin over haar verteld wordt. Dat betreft dan in de eerste plaats de zogeheten kindsheidevangelies van Matteüs en vooral van Lucas, met de verhalen over de boodschap van de engel, het bezoek aan Elisabeth en het Magnificat, over de geboorte in Bethlehem, de opdracht in de tempel en de terugvinding van de twaalfjarige. Voorts is er het prachtige verhaal van de bruiloft van Kana bij Johannes. En diezelfde Johannes ten slotte verhaalt van de Golgothascène, waar de Gekruisigde tot haar zegt: 'Vrouw, ziedaar uw zoon', en tot de geliefde leerling: 'Ziedaar uw moeder.'

Niets van dat alles is terug te vinden bij Marcus. Enkel de twee voorheen aangegeven teksten: dat Jezus inderdaad de Zoon van Maria is en dat zij op een gegeven moment Hem vanuit Nazareth in Kafarnaüm gaat opzoeken om Hem te spreken en om Hem allicht haar vragen en twijfels voor te leggen aangaande zijn doen en laten. Geloofde zij dus niet in Hem? En hoe rijm je dat tezamen met die onovertroffen verhalen die zo ongemeen krachtig getuigen van een ontzettend sterke en innige band tussen haar en Hem: het mysterie van zijn menswording waarbij zij zo nauw betrokken is geweest, het mysterie van haar moederschap dat uitgroeide tot een moederschap van al zijn getrouwen en geliefden?

Laat ons de ogen niet sluiten voor enkele passages uit de bekende verhalen die ook niet zonder meer 'positief' klinken. Een zwaard zal uw ziel doorboren. - Waarom hebt gij Mij gezocht? Wist gij dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn? - Vrouw - reeds dat ene woord op zich is toch ergens een steek door een moederhart - vrouw, wat is er tussen u en Mij? Nog is mijn uur niet gekomen.

Enerzijds is er de verbondenheid tussen de Moeder vol van genade en haar Kind, haar Mensenzoon.

Anderzijds is er onmiskenbaar de afstand tussen haar en de Zoon van de Vader, de Gezondene van de Vader.

Een authentieke Mariaverering en -devotie betekenen niet dat wij ons haar moeten voorstellen als een supermens zonder vragen of problemen.

Zij is de gezegende onder de vrouwen, de begenadigde van Godswege vanaf het eerste moment van haar bestaan en uitverkiezing als Moeder.

Maar evengoed heeft zij in de school van het leven het geloof moeten leren en tot wasdom laten komen; de genade haar geschonken, beantwoorden met een fiat van steeds groeiende gegevenheid en overgave; al die woorden die zij in haar hart samenbalde, bij zichzelf overwegen om ten volle uit te groeien tot de Moeder van haar Zoon, de eerste gelovige de Moeder van alle gelovigen.

In dat perspectief klinkt het slot van het evangelie van vandaag niet als een afwijzing van de Moeder door de Zoon, maar als een woord van troost en bemoediging voor haar en voor allen die mede op haar voorspraak in de kring willen treden van zijn leerlingen en volgelingen.

'Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?' En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten, zei Hij: 'Ziehier, mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen.'