Bookmark and Share

Derde paaszondag - Lucas 24, 35-48

In wat net voorafgaat aan het evangeliefragment van vandaag, heeft Lucas het prachtige verhaal verteld van de Emmaüsgangers. Het eindigt met hun haastige en blije terugkeer naar Jeruzalem. Daar vinden zij hun vrienden bij elkaar. En voordat zijzelf ook maar iets kwijt kunnen over hun grote belevenis, verkondigen die eenstemmig: de Heer is verrezen, want Hij is aan Petrus verschenen. Dit is toch een duidelijke belijdenis van hun prille verrijzenisgeloof. En dat wordt dan volop bevestigd door het Emmaüs-verhaal: 'Zij vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het Brood.'

Dit laatste vers is heel belangrijk. Dat het niet gaat over gewoon een avondmaaltijd, maar over een heruitgave van het Laatste Avondmaal van Witte Donderdag, de avond voor zijn lijden, staat ons inziens buiten kijf. Lucas citeert letterlijk de kernwoorden van het verhaal, ons bekend als het instellingsverhaal van de eucharistie. Als pittig detail komt daar nog bij dat Lucas niet zichzelf citeert, maar teruggrijpt naar de oudere bronnen, de woorden van Marcus en Matteüs.

De opwerping is dan: hoe kunnen de leerlingen van Emmaüs Jezus herkennen? Ze waren er toch niet bij op wittedonderdagavond. Dat was toch voorbehouden aan de twaalf? Van horen zeggen misschien? Heel zeker zal het hun door de apostelen na Jezus' kruisdood zijn doorverteld, zij het als een laatste profetie die dus ook wel niet in vervulling zou gaan. Dit blijkt nu wél het geval te zijn.

Er is echter meer dan dat. Het gaat over dat ene woordje 'herkennen': 'hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het Brood'. Het Griekse werkwoord dat vertaald wordt als 'herkennen', draagt geen voorzetsel; letterlijk staat er niet 'herkennen', maar 'kennen'. Zij 'kenden' Hem. Hij werd door hen 'gekend'. Niet enkel herkenden zij Hem zoals Hij vroeger was, maar Hij laat zich nu kennen op een heel nieuwe wijze: Hij laat zich zien als de Levende die uit de doden is opgestaan. Zij zien Hem verheerlijkt, zoals Hij in wezen is. Een ware openbaring was het voor de beide leerlingen in de volle zin van het woord. Het Brood - eucharistie - is voluit teken van de verrijzenis, sacrament van de verrijzenis geworden. Maar laat ons terugkeren naar het vervolg van het verhaal.

Je zou na deze aanhef toch verwachten dat Jezus' eigen plotse aanwezigheid in hun midden het geluk van de leerlingen alleen maar compleet maakte. Maar neen: zij waren geschrokken, zegt de evangelist. Zij waren bang. Zij dachten dat ze een geest, een spook zagen. Ondanks hun onmiskenbaar geloof in de verrijzenis, op basis van het getuigenis van Petrus en van de leerlingen van Emmaüs, was de schok van de persoonlijke ontmoeting blijkbaar zo groot dat zij hun ogen niet konden geloven. Dat was te mooi, te echt om waar te zijn.

En nadat hun vrees overwonnen is en hun geloof bevestigd wordt, omdat zij Hem mogen aanraken, zijn handen en voeten betasten; als hun vreugde de bovenhand haalt op hun verbijstering, dan nog blijven de verbazing en de verdwazing hangen. Het is te echt, te mooi om waar te zijn. Het realisme van de verrijzenis is voor de ooggetuigen die de Levende hebben gezien en aangeraakt, zo onthutsend dat het bij hen tegelijk twee aan elkaar tegenstrijdige gevoelens heeft losgemaakt: vrees en vreugde. De echtheid van hun ervaring wordt als het ware gegarandeerd door het ongewone samengaan van die beide gevoelens: vrees en vreugde.

Normaal gesproken gaan die twee niet samen. Ofwel zal de vrees de vreugde verlammen, ofwel neemt de vreugde de vrees weg. Maar hier is het anders. Als het ene of het andere zou ontbreken, als het ene het andere zou neutraliseren, als je het heel gewoon zou vinden en niet zou opschrikken, als je er niet door beroerd zou worden en er koud bij zou blijven, dan kan het geen ontmoeting zijn met de verrezen Heer, met de levende God. Zij waren vol vrees en zij waren vol vreugde, toen zij Hem zagen, toen zij Hem herkenden en erkenden als de Levende die uit de doden is opgestaan.

Laten wij het dan maar vergeten. Laten wij het dan maar stilletjes houden bij de mooie verhalen om dáárvan te leven. Want dat is blijkbaar niet voor ons weggelegd: onthutst en ontroerd te worden door, vrees en vreugde te voelen wegens de aanwezigheid van de levende God, de verrezen Heer in ons midden.

En toch, dit behoort tot de kern van ons geloof en ons christendom: God zelf garandeert ons dat wij Hem kunnen ontmoeten in de meest gewone dingen, omstandigheden en situaties van elke dag; in de meest
gewone ontmoetingen met elkaar; in onze vreugde en in onze angst... op voorwaarde dat wij vol schroom en vol eerbied, vol verwondering en ontzag omgaan met het leven ons geschonken en het grote geheim dat het inhoudt, omgaan met de liefde als gave en als opgave.

Het zijn allicht moeilijke woorden voor vaak heel gewone daden, gevoelens en gedachten. Van de andere kant weten wij dat ze heel diep kunnen gaan, omdat de geprivilegieerde plaats waar hemel en aarde, waar God en mens elkaar ontmoeten, diep verscholen ligt in het allereigenste binnenste van een mensenhart, vol vrees en vol vreugde.

Wel is er ons een uniek middel ter hand gesteld om aan het Pasen van de ontmoeting met de Levende, het Pasen van de vrees en de vreugde gestalte te geven. Het gaat om een zichtbaar middel, een tastbaar middel, iets waar wij met handen en voeten, met hart en ziel bij kunnen, zodat het van buiten naar binnen toe ons geloof voedt, ons innerlijk oog opent, onze innerlijke tastzin gevoelig maakt, de vrees en de vreugde in ons hart aanwakkert.

Dat is: liturgie vieren, eucharistie vieren, samenkomen om Jezus' leven te gedenken, zijn dood te verkondigen, zijn verrijzenis te ervaren, Hem te herkennen en te erkennen aan het breken van het Brood: sacrament van de verrijzenis, God die blijvend in ons midden is.

Voor de vrees en de vreugde, de schroom en de blijheid in onze liturgie moeten én kunnen wijzelf instaan en zorgen. Er moeten ontzag zijn en eerbied voor het heilige, plaats voor stilte, ruimte voor het mysterie, plaats voor verwondering en voor aarzeling, tijd voor belijdenis en ommekeer; een ereplaats voor Jezus' kruis.

Er moet feest zijn, plaats voor bloemen en licht, ruimte voor droom en fantasie, plaats voor schoonheid, en tijd, veel tijd voor muziek; een ereplaats voor al wie ons dierbaar zijn, onze (zorgen)kinderen en hen die ons zijn voorgegaan het allereerst.


In zo'n liturgie, een eredienst van vrees en vreugde, zijn alle voorwaarden vervuld om de verrezen Heer waarlijk te ontmoeten; om de groet te horen die Hij tot ons richt: 'Vrede zij u'; om Hem onze geesten toegankelijk te laten maken voor zijn Woord, als Hij ons - zoals destijds zijn vrienden - de Schriften ontsluit.

'Zo staat er geschreven: dat de Christus moest lijden en op de derde dag verrijzen uit de doden; en dat in zijn Naam bekering tot vergiffenis van de zonden gepredikt moet worden onder alle volken.'

Jezus citeert hier niet letterlijk een welbepaalde Bijbeltekst. Wel is er een duidelijke verwijzing naar de Jesaja-profetieën over de lijdende Dienaar. Maar heel de zin klinkt als een kerugma. En dat is het ook. Het is het stramien voor alle paaspredicaties in de Handelingen van de Apostelen: een kerugma dat het lijden en sterven van de Messias en zijn verrijzenis uit de doden onlosmakelijk verbindt met bekering en vergiffenis der zonden.

Altijd maar opnieuw dat woordje zonde. Kan het dan niet één keer zonder? Waarom wordt dat erbij gesleurd, zelfs als het over verrijzenis gaat? Zijn wij, christenen, dan doemdenkers die geloven dat Gods mooiste stukje schepping, de mens, fundamenteel slecht, fundamenteel kwaad is?

Inderdaad, altijd maar opnieuw: de mens en zijn zonde. Dat is de onontkoombare realiteit. Maar nooit: los van vergeving want steeds verbonden met de verrijzenis. Ook dat is de realiteit van ons geloof. De mens is fundamenteel goed, als en omdat hij zich verzoent en verzoenen laat.

'De Heer is waarlijk opgestaan,' zo zingt ons lied. Want.., en dan mogen wij als het ware kiezen uit twee synoniemen: Hij is aan Simon verschenen. Of: Hij heeft aan Simon vergeven.

Eucharistie is het, ook verzoening is het. Hand in hand zijn zij:
Sacrament van de verrijzenis: God die blijvend in ons midden is.