Bookmark and Share

Sacramentsdag - Johannes 6, 51.53-58

De zondag is de wekelijkse paasdag van de christenen: het feestmoment om volop het leven te vieren: de levende God, de levende Mens — in de veelzijdige betekenis van het woord - de overwinning van het leven over de dood.

Twee donderdagen hebben zich tot op dezelfde hoogte uitgetild en tussen de zondagen in een heel bijzondere plaats veroverd: Witte Donderdag en Hemelvaart.

Beide zijn afscheidsfeesten: de avond voor Jezus' lijden en dood, of beter: voor zijn Pascha; en de dag van zijn thuiskomst in Gods heerlijkheid. Maar dit tweevoudige afscheid is telkenmale sterk getekend door Jezus' belofte van zijn blijvende en definitieve aanwezigheid.

Ik zal met u zijn alle dagen tot aan de voleinding van de wereld.

En als teken van mijn aanwezigheid schenk Ik u, zend Ik u mijn Geest. Als teken van mijn aanwezigheid in uw midden schenk Ik u mijn Lichaam en Bloed.

Heel opmerkelijk is deze bipolariteit geest - lichaam. Is er geen wereld van verschil tussen het spirituele en het corporele? Zeker niet, want het is hier niet om de tegenstelling tussen beide te doen, maar om het alomvattende van Jezus' aanwezigheid: zo ongrijpbaar als de Geest, als wind en vuur, als al datgene wat ons en onze beperktheid overstijgt; en tegelijk zo tastbaar en (be)grijpbaar als de allergewoonste dingen van alledag: brood en wijn om te eten en te drinken.

Ik zal met u zijn. Dit is geen schijnvertoning, maar diepe werkelijkheid.

De theologie heeft er van oudsher een oersterk begrip voor gecreëerd: realis presentia, reële tegenwoordigheid, aanwezigheid: in het reële leven van iedere dag én in het teken dat ons van die aanwezigheid gegeven is: Brood en Wijn, teken van de Geest die Hem bezielt...

Als mensen het hebben over werkelijkheid en zelfs over waarheid, dan bedoelen zij bijna per definitie de fysische werkelijkheid als de enige echte, als de enig waar-achtige.

Maar de volle werkelijkheid is veel ruimer en dieper dan de louter fysische. Realis presentia is niet synoniem van fysicalis presentia, fysische aanwezigheid; maar veel meer dan dat: existentialis presentia, vitalis presentia.

Teken en realiteit zijn dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het teken kan geen leven op zich gaan leiden. De realiteit heeft het teken nodig om gestalte te krijgen. Het ene kan niet zonder het andere.

Dat is precies de betekenis van sacrament in de volle en in de hier en nu zeer geëigende betekenis van het woord: symbool staan voor een werkelijkheid. Indien de band er niet is met de werkelijkheid van Jezus' aanwezigheid, met alles wat dit te betekenen heeft, dan verliest het teken zelf zijn zin. Maar indien wel, dan gaat het teken smaak en kleur en richting geven aan de werkelijkheid als zodanig.

Wegens het grote belang van onze beide donderdagen - afscheidsfeest maar evenzeer feesten van blijvende aanwezigheid - en tegelijk wegens het grote belang van Jezus' aanwezigheid in het leven én in het Sacrament, is er in de liturgie een derde donderdag bij gekomen: Sacramentsdag.

Dat het om een hoogfeest gaat, moge blijken uit het feit dat wij het op de zondag na het eigenlijke feest in de liturgie nog eens mogen overdoen.

Anderzijds staat het niet ingeschreven in de grote kring van de liturgische vieringen, die toch in elk geval voorrang blijven geven aan de gedachtenis van de heilshistorische Jezusfeiten. Sacramentsdag is een devotie-feest waarbij afstand genomen wordt van de gebeurtenissen. Er schuilt het gevaar in dat wij de zaken niet consequent in hun heilshistorisch verband zouden blijven stellen. Anderzijds gaat zodoende al onze aandacht voor een keertje uit naar het grote Teken op zich, naar het feit van zijn blijvende aanwezigheid midden onder ons.

Trouwens, dat kleine gevaar dat wij van het Sacramentsfeest een te statisch iets zouden maken, wordt bezworen door de prachtige liturgische teksten vol dynamiek. Wij vernoemen graag de gezangen van de eucharistie en van het getijdengebed, hoofdzakelijk toegeschreven aan Thomas van Aquino. Maar wij verwijzen in de eerste plaats naar de evangelies die voor de drie cyclusjaren werden gekozen. In de B-cyclus heeft men geopteerd voor Marcus' instellingsverhaal en in de C-cyclus voor Lucas' broodwonder. In deze A-cyclus is het de oorspronkelijke keuze van voor het tweede Vaticaans concilie: een passage uit het zesde hoofdstuk van Sint-Jan met Jezus' zogeheten broodrede.

Een eeuwig discussiepunt onder exegeten is of deze Johannesperikoop al dan niet over de eucharistie handelt. Feitelijk is dat een onnodige en onvruchtbare discussie. Laat het zijn dat het niet expliciet over de eucharistie gaat, impliciet heeft de tekst er voor honderd procent mee te maken.

Het eerder vermelde samenspel tussen symbool en realiteit is ook hier volop aan de orde. Voor de uitdrukkelijke bevestiging van Jezus' spirituele en existentiële aanwezigheid in deze wereld, als bron van leven, als leven voor de wereld, kiest Johannes voor de aardse, de lijfelijke tekenen van brood en wijn die hij, ook qua terminologie, in een geleidelijk crescendo laat uitgroeien tot Lichaam en Bloed. Eucharistischer kan het niet. Sterker en dynamischer kan het niet.

Het teken en de realiteit waar het teken naar verwijst, zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Jezus, de Aanwezige, de Levende in ons midden: als Zoon van de Vader, met Hem verbonden, aan Hem gegeven; als de Mensenzoon, met ons verbonden, aan ons gegeven, zoals het ene brood aan ons gegeven, ons aan de ene tafel met elkaar en met Hem verbindt. De Heer, aanwezig in ons leven, aanwezig in het Teken bij uitstek: het Heilig sacrament.

Op Sacramentsdag benaderen wij dit mysterie meer als een moment van bezinning en meditatie: enerzijds als onderwerp van aanbidding, anderzijds als onderpand van engagement.

Met het volste recht heeft het tweede Vaticaans concilie onderstreept dat de eucharistie essentieel en primordiaal een gemeenschapsgebeuren is, een maaltijdhandeling rondom de tafel van de kerkgemeenschap met de Heer Jezus 'in medio ecclesiae', in ons midden.

De zin en de meerwaarde van een ietwat statischer benadering op een dag als vandaag bestaan erin dat de aandacht gevestigd wordt op enkele aspecten die wat al te zeer in de schaduw staan en vergeten dreigen te worden. Eucharistie is soms al te gewoon geworden. Het ontbreekt ons soms aan aandacht en zin voor het offer, voor het heilige, het sacrale, voor het mysterie.

Sacramentsdag zorgt voor een goed evenwicht tussen een soms te eenzijdige, te veel of te weinig benadrukte horizontale of verticale benadering van het unieke eucharistische gebeuren dat christenen uiteindelijk tot christenen maakt:

voor alle eeuwen een teken ons gegeven van leven - Sacrament van de verrijzenis, 

God die blijvend in ons midden is.