Bookmark and Share

Tweeëndertigste zondag door het jaar A - Matteüs 25, 1-10

De laatste zondagen van dit liturgisch A-jaar verwent het evangelie ons met de ene na de andere prachtige parabel.

Zoals reeds enkele malen gezegd zijn parabels mooie, beeldrijke en goed gestructureerde verhalen die meestal voor zichzelf spreken.

Je mag ze gerust vergelijken met fabels en sprookjes, maar ze staan een stuk dichter bij het echte leven, al gaan ze uiteindelijk over het Rijk der hemelen en dienen ze om christenen daarvoor gevoelig te maken.

Met fabels en sprookjes hebben ze gemeen dat ze heel logisch klinken, maar niet steeds evenzo logisch blijken te zijn. Meestal kloppen enkele dingen niet. Meestal dringt zich bij de aandachtige toehoorder een aantal vragen op die dan uiteraard te maken hebben met de geloofwaardigheid van het verhaal.

De parabel van de vijf verstandige (of wijze) en de vijf domme (of dwaze) bruidsmeisjes speelt zich af binnen het kader van een oosters bruiloftsfeest. Hoogtepunt daarvan was de tocht van de bruiloftsstoet van het huis van de bruid naar dat van de bruidegom, uitlopend op de intocht, de blijde intrede van de bruidegom met zijn geliefde in wat voortaan de gezinswoning zal zijn.

Die stoet werd druk bekeken door vele mensen uit de buurt en omstreken, die daarvoor graag samenstroomden. Hij werd begeleid door dansende meisjes die bij dit nachtelijk gebeuren met hun laaiende fakkels zelf voor de verlichting zorgden.

Maar waarom moest die man zo lang op zich laten wachten? Waarom kon hij niet op tijd komen, dan was er helemaal geen probleem geweest? Heel eenvoudig, omdat dit laat-zijn thuishoorde bij de oosterse bruiloft.

Waar bij het moderne westerse huwelijk het de bruid is die op zich laat wachten, zo'n beetje als het bewijs dat ze heel wat werk te besteden heeft aan haar opmaak, zo was het in het oude Oosten de bruidegom. Die moest volgens de regels van het spel de rituele bespreking ten huize van zijn schoonouders een zekere tijd rekken, kwestie van aanzien en standing. Als hij zijn uitverkorene zomaar meekreeg, was dat een teken dat hij zonder discussie de hoge bruidsschat had betaald, in plaats van af te dingen om des te meer te kunnen investeren in het eigen nieuwe huishouden.

Dus de man zou op zich laten wachten. En dat wisten de meisjes op voorhand. Dan luidt meteen de volgende vraag: waarom staken ze hun lampen dan zo vroeg aan? De eerste reden daarvoor is dat het wachten zelf ook tot het feest behoorde, dat er dan reeds nodig gedanst werd. Daarom moesten de lampen dus branden vanaf het begin.

Maar in ons geval liet de bruidegom wel extra lang op zich wachten, té lang, zo lang dat het feestelijk voorspel stokte en de mensen, inclusief de dansmeisjes, erbij neer gingen zitten en, in de warme zomernacht, door slaap overmand indommelden.

En midden in de nacht, zegt het evangelieverhaal, klonk er geroep: de bruidegom is daar!

Voor de lampjes kon dat toch niets uitmaken. Met hun katoenen wiekjes zouden die wel uren blijven branden. Dat is het nu juist: de lampen van onze dansmeisjes waren helemaal geen oliepitjes (zie je ze daar al mee rondspringen?), maar fakkels, toortsen: staven waaromheen stof was gewikkeld die met olie werd doordrenkt. Zelfs als je ze niet zou hebben aangestoken, dan nog zou de olie vervlogen zijn. Men moest dus wel olie in reserve hebben, wat er ook van zij. En dat moesten normale verstandige bruidsmeisjes ook goed weten. Vandaar dat er in ons verhaal sprake is van vijf wijze en vijf dwaze bruidsmeisjes.

Dan blijft nog de vraag waarom de verstandigen niet wilden delen van hun voorraad. Dat antwoord van 'er mocht eens niet genoeg zijn', dat voldoet ons niet volledig. Het lijkt ons onchristelijk egoïstisch. Bij oliepitjes zou dat inderdaad niet opgaan. Bij onze fakkels echter lijkt dat anders te liggen en zou delen een onverantwoord risico inhouden voor de eigen zekerheid.

Dat is in de parabel het kritieke punt. Iedereen voelt aan dat je op dit moment niet anders doen kunt dan de overstap te maken van het loutere verhaaltje naar de allegorie in verband met het Rijk der hemelen.

Olie is niet langer de materiële brandstof voor laaiende toortsen, maar de spirituele energie, nodig voor de ontvangst en de verwelkoming van de bruidegom, nodig voor de deelname aan het bruiloftsfeest. En die spirituele energie is niet zomaar mededeelbaar, hoe graag je dat ook zou willen doen. Hier moet jijzelf in reserve hebben: een voorraad gedurende vele lange levensjaren opgeslagen, bewaard en aangevuld, om er gebruik van te maken op het moment dat het nodig is, het allicht plotse moment dat het onverwacht nodig is.

Niet mede-deelbaar. Zoals iemand die nooit heeft leren lopen, dat niet zomaar leren kan. Zoals je iemand die nooit heeft kunnen lezen, dat niet zomaar kunt bijbrengen. Kennis van een vreemde taal deel je niet zomaar met een ander. De kunst van pianospelen is niet zomaar door te geven. Als dit niet het geval is voor louter menselijke vaardigheden, intellectuele capaciteiten of artistieke bekwaamheden, hoeveel minder is het dan mogelijk voor de spirituele eigenschappen waarover je beschikken moet om in te spelen op wat in het parabelverhaal genoemd wordt: de komst van de bruidegom die zolang op zich heeft laten wachten en er dan plotsklaps is.

Wijs zijn in deze context is: inzien dat wat men te verwachten heeft van het leven, tegelijk lang kan duren eer het komt en dan plotseling opduikt. Wijs zijn is tegelijk: kunnen wachten in gemoedsrust en met geduld, én attent en alert zijn voor dat ene moment dat het te gebeuren staat.

Het gaat niet om twee afzonderlijke geesteskwaliteiten, nu eens de ene dan de andere. Het gaat om tegelijk en hand in hand: de gemoedsrust bij het wachten en de wakkere aandacht voor het juiste moment, als één geïntegreerde attitude.

Bij alle belangrijke levensmomenten en voor alle belangrijke levenservaringen is deze attitude van geduld en attentie onmisbaar:
Vanaf de geboorte zelf, zoals blijkt uit de mooie naam die de mensen in dit geval aan de attitude gegeven hebben: in blijde verwachting zijn; voor de moeder geldt dat, maar evengoed voor de vader en voor alle betrokkenen om hen heen.

Jeugd begeleiden bij de groei naar volwassenheid: hoelang duurt het niet eer ze tot de jaren van verstand willen komen!

En wij dan maar ongeduldig zijn. En als ze dan plots 'grote mens' zijn, dan blijven wij hen als kinderen behandelen.

De liefde tussen man en vrouw, zowel de jonge ontluikende als de levenslang uitgroeiende liefde: ze kan enkel gedijen op basis van eindeloos geduld met elkaar en voortdurend alerte aandacht voor elkaar.

Ten slotte kijken wijze mensen tegen sterven aan in volle gemoedsrust, goed beseffend dat het toch ieder moment kan gebeuren.

In onze parabel is uiteraard met de bruidegom in de eerste plaats God bedoeld: de ontmoeting met de gans Andere en de gans Nabije, zo ver-af en zo dicht-bij. Wijsheid is en blijft ook en vooral hier een levensattitude van geduld en aandacht. Blijven bidden zonder een antwoord te krijgen, je blijven inzetten voor de dienst zonder resultaat te zien, maar voortdurend aandachtig voor het onverwachte ogenblik dat zich zal voordoen: dat de Zwijgende spreekt en de Onzichtbare zich manifesteert.

Aan het slot van het zogeheten embolisme, het ingelaste gebed tussen het onzevader en zijn eindacciamnatie in de eucharistieviering, wordt deze geloofsattitude perfect omschreven als: hoopvol wachtend op de komst van de Messias. Hoopvol, zo is ons wachten. Hoopvol betekent inderdaad tegelijk geduldig en alert.