Bookmark and Share

Achtentwintigste zondag door het jaar A - Matteüs 22, 1-14

Wat bevatten de evangelies een rijkdom aan levenswijsheid, voor christengelovigen evengoed als voor andere welwillende lezers, in de prachtige vertellingen die wij de parabels noemen en die rechtstreeks opklinken uit de eigen mond van de Heer Jezus.

Bij Matteüs alleen al tellen wij veertien parabels. Vandaag zijn wij toe aan de elfde in de rij: een gelijkenis, door Jezus verteld aan en ten behoeve van de farizeeën en schriftgeleerden tijdens zijn confrontatie met hen in de tempel van Jeruzalem, amper enkele dagen na zijn koninklijke intocht en dus korte tijd voor zijn lijden.

Parabels hebben vaak van de traditie of van de Bijbeluitgever een titel meegekregen: de zaaier, het mosterdzaadje, de werkers van het elfde uur, de talenten. Vandaag is het moeilijker om een juiste titel te vinden. Men spreekt over de gelijkenis van de onwillige genodigden. Dat gaat enkel op voor het eerste deel van het verhaal, niet voor het tweede. Wij kunnen het de parabel van het mislukte bruiloftsfeest noemen. Ook die titel is slechts gedeeltelijk juist.

Parabels zijn mooie, beeldrijke en goed gestructureerde vertellingen met een vanzelfsprekende logica. Die klopt echter niet altijd of niet helemaal met onze logica van nuchtere mensen die met beide voeten in de realiteit staan.

Parabels zijn te vergelijken met fabels. In beide gevallen gaat het niet over historische maar over fictieve gebeurtenissen. Fabels van hun kant - dat hebben wij bij een vorige gelegenheid reeds opgemerkt - vertellen dingen over goden of over de wereld van de dieren die dan een toepassing of zedenles inhouden voor de mens. Parabels daarentegen handelen over mensen in hun doen en laten en in hun onderlinge relaties, waarmee zij vóór alles iets willen vertellen over het Rijk der hemelen, over God en hoe Hij met mensen bezig is en bezig wil zijn.

Parabels zijn ook vergelijkbaar met sprookjes. Die dienen om kinderen te vertederen, waar parabels ons iets willen leren over het Rijk. Maar ze vertonen wel gemeenschappelijke trekken. Zo is er hier én daar vaak sprake van tegenstellingen tussen mensen of groepen mensen. En die worden nogal eens op de spits gedreven. In de sprookjeswereld is de rijke oud en lelijk en de arme jong en mooi. Op een gelijksoortige manier hanteert de parabel de overdrijving als stijlfiguur. En daar moet je dan wel even mee opletten. 

Een sterke tegenstelling in onze parabel van vandaag is die tussen enerzijds de genodigden die weigeren te komen, al hebben ze in eerste instantie toegezegd, en anderzijds de 'niet-genodigden' die maar al te graag komen, ook al hebben ze goede redenen om te weigeren, omdat het zo onverwacht gebeurt.

Een overdrijving, als stijlfiguur gebruikt dus, is zeker de extreem gewelddadige reactie van een aantal weigeraars die de koningsgezanten afmaken, evenals die van de koning die zijn leger uitstuurt om hen om te brengen en hun stad in brand te steken. Dat van dat leger bijvoorbeeld, dat gaat toch wel heel ver. Dat komt doordat tegenstelling en overdrijving er precies zijn om de boodschap aan het einde des te duidelijker naar voren te schuiven.

En dan hadden wij het ook nog over de parabellogica en onze logica die soms of vaak niet kloppen met elkaar. Typisch daarvoor is het slotvers: 'Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.' Dat lijkt hier toch niet op zijn plaats te staan. Dat klopt toch niet. Er is er toch maar één zonder feestkleed. Alle anderen zijn dus geroepen én uitverkoren. Het feest is echt niet mislukt. En dus klopt ofwel de spreuk niet, ofwel waren er meerderen zonder feestelijke kleding.

Die laatste logica, daar kunnen wij inkomen. Het zou ons sterk verbazen, als van al die armoezaaiers er maar eentje zich geen chic kostuum kon permitteren en alle anderen wel. En dan klopt de spreuk wel, maar dan lijkt ons de zaak niet erg rechtvaardig. Dat is toch te veel gevraagd, dat van die galakleding, vanwege dit publiek dat daarenboven nog zo plots en onverwacht uitgenodigd werd zonder allicht de vermelding: stadskleding of smoking verplicht...

Aan de andere kant is het ook weer zo dat er nergens geschreven staat dat ze de tijd niet kregen om zich op voorhand even te gaan verfrissen en fatsoeneren, en evenmin dat hun feestdos modieus, duur, nieuw of zelfs maar mooi moest zijn.

Maar feestkleding, dat wisten ze. Dat was zo de gewoonte daar en in die tijd, zelfs voor de vele volksfeesten in de dorpen waar de minste van de aanwezigen zich om zo te zeggen voor opmaakte. Dat was niet iets extra's, dat was gewoon. Er werd weliswaar 'gewoon' van je verwacht dat je die 'extra' inspanning zou doen om er fatsoenlijk en ietwat feestelijk uit te zien.

Ik vind dit goed vergelijkbaar met bijvoorbeeld het uniform van koorzangers bij een feestelijk optreden. Velen kleden zich dan bijzonder chic. Dat mag, maar het hoeft niet. Een eenvoudige zwarte pull of T-shirt is ook al goed. Als er dan nog eentje hij staat in het groen of in het oranje, dan neemt men dat niet. Het is niet dat hij niet kan, maar dat hij niet wil, dat hij er feitelijk niet bij hoort dus.

Het besluit uit onze parabel gaat zeker niet over het uniform van de koren, maar wel over twee dingen.

De eerste conclusie is: dat je roeping volgen een kwestie is van twee dingen samen, van ja-zeggen en ja-doen. (Waar hebben we dat eerder gehoord?) En dat geldt voor beide in dit verhaal beschreven situaties.

De eersten zeggen ja, maar als puntje bij paaltje komt, doen ze niet mee. Tegen je roeping kun je niet zeggen dat je niet meedoet, dat het je niet interesseert, dat er andere belangrijke dingen zijn die voorgaan.

De tweeden zeggen dat ze meedoen en blijkbaar doen ze het ook. Maar die ene die eraan toevoegt 'op voorwaarde dat het mij geen enkele extra moeite of inspanning kost', die heeft er niets van begrepen. Ook met weinig talenten moet je woekeren, zo zal de les een volgende keer luiden.

De tweede conclusie betreft de verhouding buitenkant - binnenkant van het leven en van het geloof. Wij kennen de spreuk: 'De kleren maken de man niet.' Dat wil zeggen: het binnenste, het hart van de mens, daar komt het opaan. Volgens deze parabel betekent dat echter niet dat de buitenkant van geen tel is.

De houding die mensen aannemen, is vaak de spiegel van wat zich in hun hart afspeelt. Mensen die altijd somber kijken, die worden op den duur vaak ook binnenin slecht gezind, terwijl lachen een immanent middel kan zijn om binnenin blije mensen te worden.

Mensen zeggen al te vaak: 'Ze moeten mij maar nemen zoals ik ben.' Als je mij graag ziet, dan moet je mij maar nemen zoals ik ben. Beter is het: trachten te zijn of te worden zoals de ander je graag ziet. Ik hou van jou, lieve medemens, ik hou van jou, Lieve Heer, en daarom doe ik wat jij van mij verwacht en verlangt.