Bookmark and Share

Zevenentwintigste zondag door het jaar A - Matteüs 21, 33-45

Wij willen zeker geen afbreuk doen aan de grote waarde en het belang van onze geloofsbelijdenis, ons credo, als uiting en bevestiging van onze geloofstrouw. Maar het grote onderscheid tussen gelovige en ongelovige ligt onzes inziens niet zozeer in het feit dat de ene wél en de andere niet dit credo van de christenheid uitspreekt en onderschrijft, als veeleer in de manier waarop een persoon als individu en een maatschappij als gemeenschap de wereld bewonen en het leven beleven: hetzij als eigen bezit, als eigenste eigendom, hetzij als aan mij toevertrouwd, aan ons geschonken.

Het geloof is een levenshouding van wie op de juiste manier omgaat met het geschenk dat het leven is.

Een kind krijgt een cadeautje. Dit is nu van mij, zegt hij fier. Juist, zeggen pa en ma, die het hem gegeven hebben. Ik doe er nu mee wat ik wil, zegt het kind. Neen, zeggen pa en ma, dat is niet helemaal waar. Als je er niet datgene mee doet waarvoor het dient, als je je pop als bal en je bal als projectiel gaat gebruiken, dan is het geschenk niet meer van jou, want dan nemen wij het je af.

De wereld is onze wereld, op voorwaarde dat wij hem bewonen als de tuin van God. Niet als wij zomaar atomen splijten en bacteriën kweken, de lucht bevuilen en het groen bezoedelen; evenmin als wij de krachten van de natuur niet ontginnen, niet overmeesteren, niet ten nutte maken.

Het leven is mijn leven, op voorwaarde dat ik het beleef als de mooiste bloem of plant in de tuin van God. Niet als ik zomaar ga beschikken over ja en nee, over ongeboren of ongeneeslijk leven, over cultuurvreemde of andersdenkende mensen, kansarmen of gehandicapten; en evenmin als ik mijn eigen identiteit te grabbel gooi aan een principeloos 'alles kan'.

Om deze essentie van ons geloof uit te drukken maakt de Bijbel vaak gebruik van het beeld van de wijngaard. De beide schriftlezingen, Jesaja van het eerste en Matteüs van het nieuwe verbond, omspelen hetzelfde thema: de wijngaard van de Vader, zijn 'clos' waar de druiven groeien voor een premier grand cru, zijn appellation controlée. Dezelfde beelden, goeddeels dezelfde woorden, maar toch niet identiek dezelfde boodschap. Iedere parabel belicht een eigen aspect van de levenshouding die wij geloof hebben genoemd.

Het eerste lied van de wijngaard, dat van de oude profeet-poëet Jesaja, is een stukje authentieke wereldliteratuur. 'Ik wil zingen voor mijn vriend. Ik wil zingen het lied van mijn vriend en zijn wijngaard.'

De vriend van de profeet is wellicht een jonge bruidegom; en de wijngaard is de jonge bruid. De dichter bezingt de liefde en de zorg die de bruidegom aan zijn geliefde heeft besteed.

'Mijn vriend had een wijngaard; die lag op een vruchtbare helling. Hij spitte hem om en maakte hem vrij van stenen; hij plantte er uitgelezen wingerden; in het midden bouwde hij een toren, en hij kapte er een perskuip uit.'

Zo begint het lied. Maar dan slaat de toon om: de idylle wordt verstoord. 'Toen hoopte hij druiven te krijgen, maar de wijngaard gaf enkel wilde vruchten.'

Alle moeite is dus tevergeefs geweest. Het grote plan is op een mislukking uitgelopen.

Het gaat dan in het gedicht helemaal niet meer over de wijngaard noch over de bruid en de bruidegom. Het gaat over Israël, het volk: over de zorg die Jahwe aan zijn uitverkoren volk heeft besteed, maar die vruchteloos bleef, die niet beantwoord werd.

Het lied van de wijngaard die onvruchtbaar blijft ondanks alle goede zorgen van de eigenaar, is de parabel van de schepping die, ondanks alle voorzienigheid van de Schepper, zijn bedoelingen niet inlost. Allicht hebben dus de wijnbouwers hun werk niet goed gedaan of niet afgemaakt.

Het eerste lied van de wijngaard is een aanklacht, een veroordeling, een waarschuwing aan de mens die verantwoordelijk is voor de schepping. Zijn taak is het te arbeiden in de wijngaard: zijn capaciteiten te ontwikkelen, te woekeren met zijn talenten, zijn roeping te volgen; dit alles, opdat de wijngaard vruchtbaar zij, opdat de schepping groeie en gedije naar de bedoelingen van de Schepper, die zijn mooiste werk in mensenhanden heeft gelegd. Onze mensentaak is het om de zorg aan ons besteed, in dank te aanvaarden en dus zelf alle zorg te besteden aan het gekregen geschenk.

Het tweede lied, de evangelische parabel, Jezus' gedicht, zingt over een wijngaard die wél vruchten opbrengt. De wijnbouwers hebben dus wel goed werk geleverd; maar weer lijkt de bedoeling van de eigenaar niet begrepen.

Het is toch logisch dat de bezitter van de wijnberg aanspraak maakt op de vruchten van de oogst, op de druiven voor de wijn. Het is toch onlogisch dat wijngaardpachters zeggen: nu houden wij de oogst netjes voor onszelf. Hun loon, ja, dat verdienen zij; maar deze wijze van zichzelf vergoeden is niet minder dan diefstal.

Dan hebben wij het nog niet eens over de gewelddadige manier waarop zij hun plannen uitvoeren en zonder enige schroom hun werkgever tref fen in al wat hem dierbaar is, enkel en alleen om hun oneerbaar winstbejag zeker te stellen.

Het tweede lied van de wijngaard is een tweede aanklacht, een tweede veroordeling, een verdere waarschuwing aan de mensen. Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor de schepping. Zij hebben niet enkel de taak om in de wijngaard van de Heer te arbeiden, hun beroep uit te oefenen, hun roeping te volgen. De boodschap van het evangelie is duidelijk: dat mensen al hun inspanningen en heel hun inzet uiteindelijk niet op zichzelf mogen afstemmen, in elk geval en zeker niet exclusief op zichzelf, maar ten dienste moeten stellen van medemens en samenleving; afstemmen op de Schepper, op de schepping zelf, op het mooiste deel van die schepping dat de mensheid is.

Aan het mensenleven als gave en opgave is steeds dit tweevoudige aspect verbonden. Het lied van de wijngaard dient gezongen te worden met zijn beide coupletten.

De eerste strofe roept ons op om de zorg aan ons besteed, met dankbaarheid te aanvaarden; om open te staan voor het geschenk; om er zelf met alle mogelijke zorg en eerbied mee om te gaan.

De tweede strofe zet ons aan om als goede pachters het resultaat van ons werk en onze inspanning niet voor onszelf te behouden, maar gul en grootmoedig ter beschikking te stellen.

De eerste strofe zingt: wat je doet, doe het goed.

De tweede strofe voegt daaraan toe: doe het tot lof en eer van de Schepper en ten dienste van je medemens.

Het is goed en nodig dat wij in onze geloofsbeleving en in onze bezinning daaromtrent steeds die twee sporen trekken: het spoor van de inzet en het spoor van de intentie.

Aan onze menselijke arbeid kan grote vreugde verbonden zijn: niet enkel als het werk aangenaam is en het resultaat gunstig. De vreugde van inzet en inspanning ligt voor alles in het stukje geluk dat je anderen erdoor kunt verschaffen. En die vreugde groeit uit zichzelf uit tot een danklied dat opklinkt uit je hart.

Dankbare mensen, zegt de apostel, hebben oog voor alles wat het leven hun te bieden én te vragen heeft. In hun hart, zegt de apostel, zal vrede zijn. De God van de vrede zal met ons zijn.