Bookmark and Share

Zestiende zondag door het jaar A - Matteüs 13,24-43

Vandaag zouden wij de tweede parabelzondag kunnen noemen, de tweede in de reeks van drie. In zijn dertiende hoofdstuk heeft Matteüs zeven soortgelijke verhalen bij elkaar gebracht. Dit hoofdstuk wordt daarom ook de parabelrede genoemd.

Een parabel is, zoals wij het reeds omschreven, een gewoon verhaal over de gewone gang van zaken bij mensen, hun omgang met elkaar en met de dingen, met de natuur. Maar die verhalen zijn niet op zichzelf bedoeld. Zij willen bij wijze van voorbeeld een verwijzing zijn naar het Rijk der hemelen. Het Rijk der hemelen gelijkt op een zaaier, gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad heeft gezaaid.

Enerzijds is een parabel een wat cryptisch verhaal dat de lessen die hij leren wil, niet rechtstreeks bij de naam noemt: het Rijk der hemelen is:...; God is:... Dat moet jijzelf invullen. Anderzijds is het zó'n eenvoudig verhaal, met een voor elke toehoorder bekend onderwerp en met een logica die buiten discussie staat, dat dat invullen ook geen moeite mag kosten en in feite geen verdere uitleg nodig heeft. De parabel is zo logisch en zo duidelijk in zijn verwijzing dat Jezus erop rekent op die wijze zijn gehoor te overreden en te overtuigen: God is niet die vreemde en wrede oppermacht die mensen er zo vaak in zien, maar een genadevolle Schepper, een barmhartige Vader.

Vorige week was er één parabel aan de beurt, die van de zaaier. De logische les was: de Schepper is zo gul en kwistig met zijn goede gaven dat het niet anders kan dan dat die gulheid en goedheid vruchten voortbrengen, dertig-, zestig- tot honderdvoud.

Na dit verhaal heeft de evangelist Jezus een commentaar in de mond gelegd met uitleg in tweede instantie, bedoeld voor de apostelen. De parabel antwoordt op de vraag: wie is God, hoe is God? De uitleg beantwoordt de tweede vraag: wat moeten wij dan doen? Dat komt erbij, maar het is niet de essentie. De essentie is dat gewone mensen overtuigd moeten worden van Gods goedheid en de onstuitbare gevolgen daarvan voor het menselijk geluk. En als ze overtuigd zijn, dan komt de tweede vraag aan bod: wat staat ons te doen om daarin te passen, hoe kunnen wij daaraan meewerken? Je zou het zó kunnen stellen: de parabel is voor niet-ingewijden, de uitleg is voor wie reeds ingewijd zijn.

Verderop zal dat ook nog het geval zijn, zelfs aanleiding geven tot twee soorten parabels: parabels voor het volk, parabels voor de leerlingen; parabels om te overtuigen, parabels om wie overtuigd is op te roepen tot een actief antwoord.

Vandaag bijvoorbeeld. Alle drie de parabels die Jezus vertelt zijn tot het volk gericht, parabels van eerste orde dus. Dit wordt duidelijk bewezen doordat de Heer na deze drie gelijkenissen de mensen heenzendt en zelf naar huis gaat, waar Hij dan beschikbaar blijft voor de ingewijden, de reeds overtuigden, de leerlingen: voor nadere tekst en uitleg.

Laten wij even kort de drie parabels bekijken. Niet dat zij nadere uitleg nodig hebben, maar wij kunnen trachten ze in de taal van onze tijd om te zetten waar wij het wél aandurven te proberen om rechtstreeks over het Rijk der hemelen te praten. In Jezus' dagen en alle eeuwen vóór Hem durfde of mocht een mens de naam van God uit schroom en eerbied niet uitspreken. Met de Heer Jezus zal dat veranderen. Zelf spreekt Hij weliswaar in parabels tot het volk, maar tot de ingewijden, tot zijn vrienden zal Hij meer en meer spreken over: onze Vader, mijn Vader, Ik en mijn Vader.

De parabel van het goede zaad. De vijand heeft er onkruid tussen gestrooid. De knechten willen dat uitroeien. Maar de zaaier zelf weet, zoals iedere goede boer dat weet, dat die operatie veel te riskant tot onmogelijk is. De knechten zijn misschien wel bekommerd, maar het is in feite een dom voorstel. De zaaier weet wel beter. Hij vertrouwt ten volle op zijn zaad en op zijn grond. Uiteindelijk zal die vrucht dragen, dertig-, zestig-, honderdvoud. Let wel: wat voorafgaat is geen uitleg, maar een verwoording van de wijze waarop ieder van Jezus' toehoorders zijn vertelling begrepen heeft.

De eerste parabel van de zaaier, die van vorige week, zei: God is gul en die gulheid zal onstuitbaar tot resultaat leiden. Deze vervolgparabel van de zaaier zegt: God is daarenboven eindeloos geduldig en dat geduld zal uiteindelijk mede en even onstuitbaar renderen, ondanks alle eventuele tegenkrachten.

De parabel van het mosterdzaadje behoeft helemaal niet veel woorden extra, net zomin als de parabel van de gist. Zij hebben het beide over groei en geleidelijkheid in de groei; maar het onstuitbare van de vorige lessen blijft een constante.

Gods schepping is pure dynamiek zonder echter het dynamiet van plots geweld, zoals vaak werd en wordt gedacht over buitennatuurlijke, bovennatuurlijke krachten. Het Rijk der hemelen is nabij, het zal er komen, onstuitbaar maar geleidelijk aan, beetje bij beetje, ook al verwachten mensen van de hemel alles in één keer.

Pure dynamiek, groei in alle mogelijke richtingen: naar boven toe, naar buiten uit, zoals het plantje dat een reuzenboom wordt, én naar binnen toe, zoals gist dat het meel doordringt: zichtbaar en onzichtbaar, zoals er twee kanten zijn aan de mens, de buiten- en de binnenkant, lichaam en geest.

Pure, onstuitbare dynamiek van vertrouwen in het kleine en in de aanstekelijkheid van de goedheid.

Gods gulheid voor mensen, Gods geduld met mensen, Gods vertrouwen in kleine mensen, Gods dynamische kracht in het hart van de mens, en telkenmale blijvend onstuitbaar. 

Na de parabel-les stuurt Jezus het volk heen en gaat zelf ook naar huis, zegt het evangelieverhaal. Dan komen zijn leerlingen Hem om nadere uitleg vragen. Wat nu volgt, is geen parabel meer, maar een andere literaire stijlfiguur die allegorie genoemd wordt, ook al een bewijs dat dit gedeelte voor ingewijden van een latere datum kan zijn. Ieder element van het parabelverhaal krijgt nu een eigen symboolbetekenis. Zaad is dit en onkruid is dat en de vijand is die, enzovoort.

Ik denk niet dat het nodig is om hier nader op in te gaan. Als men uitleg over uitleg in derde instantie nog maar eens moet uitleggen, dan schort er immers wat aan.

Wel wil ik om te besluiten een korte eigen allegorie opzetten voor ingewijden, aansluitend bij de drie parabels van vandaag en antwoordend op de vraag: als God zo is, wat moeten wij, mensen, dan doen?

Van de zaaier van het goede zaad leren wij het goddelijke geduld met de mens, heen en weer tussen zijn goed en zijn kwaad; en ook leren wij dat geduld een 'goddelijke' deugd voor mensen is, misschien de mooiste zijde van de liefde.

Van het mosterdzaadje leren wij het goddelijke vertrouwen in de mens, zijn goddelijke voorkeur voor het kleine; en ook: dat voorkeur voor de kleine een 'goddelijke' deugd voor mensen is, misschien de meest kenmerkende zijde van het geloof.

Van de gist leren wij de goddelijke dynamische kracht die aan het werk is in het hart van de mens, Gods goedheid, niet te stuiten en niet te verstikken; en ook dat aanstekelijke en nooit aflatende goedheid een 'goddelijke' deugd is voor mensen, misschien de mooiste zijde van de hoop.