Bookmark and Share

zondag 25-11-2012, hoogfeest van Christus, Koning van het Heelal

OPENINGSWOORD

Vandaag op de laatste zondag van het kerkelijk jaar eren wij Christus als de Koning van het heelal. In het kerkelijk jaar, dat achter ons ligt, hebben we opnieuw mogen merken hoezeer God ons nabij is in vreugde en in verdriet. Vanuit een houding van geloof danken wij Hem hiervoor door ons doen en laten, door alles wat ons bezig houdt en ons dierbaar is aan Hem toe te vertrouwen. Zo erkennen wij Christus als onze Koning, als de Heer van ons leven en van al wat ons omringt. Hij is ook Degene, die van Godswege boven onze zwakheden en onze zondig¬heid staat. Daarom bidden we met vertrouwen tot Hem onze schuldbelijdenis in het bewustzijn dat lang niet al ons daden en gedachten de komst van zijn Rijk nabij gebracht hebben.

PREEK

Het feest van Christus Koning is door paus Pius de Elfde ingesteld in het jaar 1925. Het was een ant¬woord op de antikerkelijke houding die er heerste in het Europa van die dagen. De paus wilde daarmee niet alleen de Kerk, maar vooral ook de wereld, het politieke en sociale leven opnieuw plaatsen in het grote kader van ons toebehoren aan God. En hoezeer dat nodig was, mag blijken uit het feit dat op 28 oktober 1922 Mussolini met de zijnen was begonnen aan de opmars naar Rome. Iedereen weet wat dit teweeg heeft gebracht in de Europese geschiedenis. Vandaag de dag is dat gelukkig voorbij. Toch blijft tegen de achtergrond van de huidige politieke situatie het feest van Christus Koning zijn actualiteit behouden. Want de omstandigheden in onze samenleving zijn opnieuw aan het veranderen. De discussie die enkele jaren geleden in de Europese gemeenschap werd gevoerd over de aanwezigheid van kruisbeelden in de klaslokalen op de openbare scholen in Italië is een symptoom van dieperliggende veranderingen. In Nederland is voorlichting over homoseksualiteit vanaf de komende maand verplicht op basisscholen en in het voortgezet onderwijs. Wat men hier ook van mag vinden: het meest alarmerende is de beslistheid waarmee de christelijke optiek over dit thema ter zijde wordt geschoven. Bovendien lijken juridische procedures in het verschiet te liggen voor wie zich niet wil confirmeren. In beide gevallen botsen hier een seculiere samenleving op een religieuze cultuur en traditie.

Het lijkt logisch om te beweren: in katholieke scholen zijn kruisbeelden op hun plek, in openbare scholen moeten ze geweerd worden. Maar als het gaat over een land met een katholieke traditie en in een land waar de meerderheid van de scholieren op de openbare scholen katholiek is, dan wordt duidelijk dat een louter logische bewijsvoering niet volstaat. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft niettemin bepaald dat ‘kruisbeelden in openbare scholen’ een schending zijn van de vrijheid van onderwijs en van religie.
Als vrijheid van godsdienst alleen maar het individu aangaat, dan heeft het Hof gelijk. Maar is cultuur niet juist iets wat mensen samenbindt en waarbij het geheel groter is dan de delen? Maar wat te zeggen als de christelijke cultuur aan kracht inboet of zelfs geheel en al verdwenen is?

Op dat punt wordt de discussie verhelderd door de lezingen op dit feest van Christus Koning. De heerschappij en de koninklijke macht waarin het visioen van de profeet over wordt gesproken zijn nog niet aan de orde. De Katholieke Kerk in Italië protesteert dan ook niet vanuit de macht van het getal van haar gelovigen, maar vanuit het besef dat de waarheid haar rechten heeft. Daarmee volgt de Kerk het voorbeeld van Jezus zelf. Tijdens heel zijn openbare optreden heeft Jezus zich altijd aan de mensen onttrokken wanneer ze Hem tot koning wilden uitroepen. Pas als Hij geboeid en met doornen gekroond voor Pilatus staat, bevestigt Hij zijn koningschap. Dit koningschap bestaat hierin dat Hij is gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Die waarheid wordt zichtbaar in de waardigheid die elke mens uit zichzelf heeft. Zonder dat hij dit beseft, bevestigt Pilatus dit als hij Jezus na zijn geseling aan het volk toont en zegt: ‘Ecce homo – ziehier de mens’. Onze waardigheid blijft, zelfs als ze ons ontnomen wordt. En tot die waardigheid hoort onze vrijheid. Nu kwam Jezus niet alleen om de waardigheid van ons, mensen, te bevestigen. Zijn getuigenis over de waarheid ging uit van God door wie Jezus zich gezonden wist. De menselijke waardigheid wordt gedragen door de liefde van God, aldus Jezus, aldus de apostelen, aldus de Kerk tot op de dag van vandaag. Het kruis is het bewijs van die waarheid, dat God de wereld zozeer liefheeft, dat Hij het toelaat dat Jezus door zijn volk en door de wereld gekruisigd wordt.

Als het koningschap van Jezus niet van deze wereld is, dan moet het ons niet bevreemden, dat Zijn kruis en ons getuigenis hierover weerstand oproepen. Wij staan dan ook pal voor onze vrijheid om midden in onze samenleving het christelijke getuigenis te kunnen geven. Toch hebben wij geen recht van spreken als het teken van het kruis voor ons niet meer is dan louter een symbool. Maar als het kruis het teken is van ons geloof in een liefdevolle God die elke mens in z’n waarde laat, dan hebben we recht van spreken. Ieder van ons als individu, maar ook de Kerk als gemeenschap van gelovigen, moet dit getuigenis in het openbaar kunnen geven. Dan zal blijken dat de woorden van Jezus: ‘al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem’ nog steeds hun kracht niet verloren hebben.