Bookmark and Share

preek op dinsdag 11-09-2012 in de 23e week door het jaar II

OPENINGSWOORD

Vandaag spreekt de apostel Paulus in de eerste lezing over mensen, gelovige mensen, die een kwestie hebben met een medemens. Er zijn er, zo zegt hij, die hun recht gaan zoeken bij de ongerechtigen en niet bij de heiligen, hun medegelovigen.

Er zijn ook gelovigen, die het eenvoudiger aanpakken: zij negeren gewoon hun medegelovige. Maar of mensen het nu met de ene of met de andere methode aanpakken, het is allebei niet goed. Misschien denken zij, dat andere mensen er niets van merken, maar God weet het.

Broeders en zusters, als wij een kwestie hebben met een medemens en wij merken aan onszelf, dat het echt een negatieve invloed gaat hebben op ons spreken en denken en handelen, laten wij onszelf dan afvragen wat Jezus in deze kwestie zou doen en dan zo handelen en niet anders.

PREEK

Jezus brengt in de bergen de nacht door in gebed. Vroeg in de morgen komt Hij naar beneden. De leerlingen hebben geduldig op zijn terugkomst gewacht. Dan verzamelt Hij allen om zich heen en dan noemt Hij één voor één de namen van hen, die zijn apostelen zullen worden.

Kunnen wij ons een beetje voorstellen hoe deze mannen zich moeten hebben gevoeld toen zij hoorden dat hun namen werden genoemd? Waren zij verrast? Opgewonden? Voor het blok gezet? Overweldigd? Op dat moment wisten zij natuurlijk nog niet ten volle wat hun roeping precies met zich zou meebrengen, maar zij begrepen wel, dat zij een bepaalde missie kregen, een zending. Het woord ‘apostel’ betekent immers ‘hij die gezonden is’. Op z’n minst zou het betekenen, dat zij bereid zouden moeten zijn om met deze rondtrekkende rabbi mee te reizen.

Zijn wij ooit voor een bepaalde taak uitgekozen en dat wij ons toen voor het blok gezet of niet voldoende toegerust voelden? Misschien waren wij verrast toen wij gevraagd werden of waren wij van mening, dat iemand anders beter gekwalificeerd was dan wij? Misschien waren wij gevraagd om een bijbelgroep te leiden of om een andere dienst in de parochie te verrichten. Of misschien kwam iets heel onverwachts, zoals het onverwacht krijgen van een kindje met een bepaalde handicap of zoals iemand opeens een gebrek kan krijgen waardoor hij helemaal afhankelijk is geworden?

Maar als God ons tot iets roept rust Hij ons er ook toe uit. Hij vergeet nooit om ons al de genade te geven, die wij nodig hebben om zijn werk goed ten uitvoer te kunnen brengen. Helaas gebeurt het wel vaker, dat wij aan Gods macht en aan zijn roeping twijfelen. Ook de apostelen hadden hun momenten van twijfel en van verwarring. Maar met Pinksteren, toen de heilige Geest over hen werd uitgestort, kregen zij alle kracht, die zij nodig hadden om het goede nieuws te kunnen verkondigen. En wij weten allemaal wat zij inmiddels hebben bereikt.

Als wij ons weleens overweldigd voelen door onze roeping, laten wij dan even een stapje terug doen en halen wij even een paar keer diep adem. Denken wij dan aan de apostelen en aan de dag van Pinksteren. Denken wij ook aan de heilige maagd Maria en aan de manier waarop zij zich overgaf aan haar roeping. En vooral, vragen wij de heilige Geest om ons een groter vertrouwen te geven in zijn heilige tegenwoordigheid. Hij houdt ervan om ons te helpen! Hij vindt het fijn als wij ons tot Hem wenden en Hij wil niets liever dan ons alles geven wat wij voor onze roeping nodig hebben.