Bookmark and Share

08-10-2012, maandag in de 27e week door het jaar II

OPENINGSTEKST

De leerlingen bleven eensgezind volharden in het gebed met Maria, de moeder van Jezus.

OPENINGSWOORD

De afgelopen week hebben wij in de eerste lezing geluisterd naar het levensverhaal van Job. Vanaf vandaag tot en met volgende week woensdag zullen wij luisteren naar de brief van Paulus aan de christenen van Galatië.

En Paulus begint meteen met een pittige opmerking: dat hij verbaasd is dat sommige mensen van het ene en ware evangelie zijn afgeweken. Er is maar één evangelie en wij moeten ons door niemand in verwarring laten brengen. Het evangelie, dat Paulus verkondigt is niet van mensen, maar van God. Jezus Christus zelf heeft het aan Paulus geopenbaard.

Vandaag willen wij uit het missaal het misformulier nemen ter ere van Maria, de Moeder van de Kerk: dat zij alle mensen wil helpen om Jezus in de Kerk te vinden; dat zij zich spoedig weer aansluiten bij het ene en ware evangelie.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. God, barmhartige Vader, uw eniggeboren Zoon heeft aan het kruis zijn moeder, de heilige maagd Maria, ook aangesteld tot onze moeder. Laat uw kerk door haar liefdevolle medewerking van dag tot dag toenemen in vruchtbaarheid, vreugde vinden in de heiligheid van haar kinderen en alle volkeren opnemen in haar schoot. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon ... .

PREEK

In het evangelie vraagt een wetgeleerde aan Jezus wie zijn naaste is.

Wat wil de wetgeleerde met zijn vraag bereiken? Wilde hij proberen de draagwijdte van zijn verantwoordelijkheden ten opzichte van andere mensen in te perken? Wilde hij weten of Jezus het Romeinse leger of andere heidenen zou uitsluiten van zijn definitie van 'naaste'?

In plaats van een rechtstreeks antwoord te geven vertelt Jezus de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. En Hij eindigt met de vraag welke van de drie mannen de naaste was van de beroofde reiziger. Wat wil Jezus hiermee bereiken?

In zekere zin zegt Jezus: "Maak je geen zorgen over de vraag wie wel of niet je naaste is. In plaats daarvan kun je besluiten, dat iedereen die je tegenkomt jouw naaste is. Kijk op een andere manier naar mensen en uiteindelijk zul je alle mensen liefhebben als je zelf".

Er zijn natuurlijk verschillende manieren om deze woorden van Jezus in praktijk te brengen. Eentje daarvan is de volgende. Als wij in een publieke ruimte zijn, een druk winkelcentrum bijvoorbeeld of een winkelstraat, dan zien wij allerlei mensen komen en gaan. Wij kunnen dan heel wat van die mensen even aankijken en bedenken: Hij daar is mijn naaste en zij daar is ook mijn naaste. Of wij kunnen zo veel mogelijk mensen, die bij ons in de straat wonen, ons voor de geest halen en hetzelfde denken: Hij is mijn naaste en zij is ook mijn naaste. Werkende mensen kunnen dat ook doen met hun collega's; we kunnen het doen met mensen die wij van een vereniging kennen. Als wij deze oefening af en toe doen zal het steeds dieper tot ons doordringen, dat alle mensen werkelijk onze naasten zijn.

Als wij dit doen zullen wij ook steeds beter gaan begrijpen wat Jezus bedoelde met het verhaal van de barmhartige Samaritaan: onze naaste is iedere man, iedere vrouw en ieder kind, die er behoefte aan heeft of die het nodig heeft om de liefde en de barmhartigheid van God te leren kennen. En zeker in onze tijd is dat bijna iedereen. Ikzelf bid vrijwel altijd voor alle mensen, die ik onderweg tegenkom.

Als wij naar al die verschillende mensen kijken, kunnen er natuurlijk ook een aantal vragen in ons opkomen: Heeft die ene man daar ooit al eens Gods liefde ervaren? Die vrouw met die twee grote boodschappentassen, waarom glimlacht zij zo breed? Waarom kijkt dat kindje daar zo verdrietig? Als wij ons dit afvragen, mogen wij weten, dat dit tekens zijn, dat God onze ogen voor onze medemensen opent. We mogen weten, dat God ons dan wil laten inzien, dat dit niet zomaar mensen zijn, maar onze familie, onze broeders en zusters, ons door God gegeven, om ze lief te hebben, om ze te zegenen en te eren.