Bookmark and Share

08-07-2012, 14e zondag door het jaar B

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, welkom op deze 14e zondag door het jaar. Sommige dingen zijn in het leven een beetje wisselend. Soms schijnt de zon. Soms regent het. Dat is natuurlijk goed. Soms gaat het goed met de economie. Soms niet. Dat is al minder prettig.

Wisselend is ook onze omgang met de mensen. De ene is aardig tegen ons en een volgende doet reuze onvriendelijk. En zijn wij ook niet zelf zo tegen God? Soms bidden wij O.L.Heer van het kruis en dan weer vergeten wij Hem heel de dag. En toch houdt God van ons, maar... Hij hoopt op beter.

Laten wij de keren, dat mensen onvriendelijk tegen ons doen, aangrijpen als gelegenheden om ons vaker tot God te richten. Denken wij aan een abt, lang geleden, die allemaal prachtige bloemen in z’n tuin zaaide, maar toen de zaadjes uitkwamen stond tot z’n grote schrik de tuin ook vol met paardenbloemen. Geen enkele hovenier kon hem het juiste middel geven om de paardenbloemen definitief weg te krijgen, zelfs de keizerlijke hovenier lukte het niet. Deze zei tenslotte tegen de abt, dat hij maar moest leren om ook van de paardenbloemen te houden. Het waren per slot van rekening ook door God geschapen bloemen. Zo moeten ook proberen, niet alleen van aardige mensen te houden, maar ook open te staan voor onaardige mensen.

Vragen wij God om wijsheid, liefde en kracht iedere keer dat wij mensen ontmoeten, die ons niet zo aanstaan. Of bij andere moeilijke situaties. Dan zijn wij vaker met God bezig en wie weet komt er door dat extra contact ook een beetje meer zegen van God over onze wereld, een beetje meer vrede.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Heer God, Gij hebt uw Zoon gezonden, die ons heeft toegesproken met de kracht van een profeet. Laat niet toe dat wij ongelovig zijn of opstandig. Leer ons de wonderen zien, die Hij onder ons verricht en geef ons de moed ook in eigen omgeving te getuigen van zijn boodschap. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon... .

PREEK

Beste mensen, als ik hier eens zou kunnen vertellen wat er allemaal aan goede dingen in de wereld gebeurt, ver weg of dichtbij, dan zou ik - gelukkig - voorlopig nog niet klaar zijn. Maar ook het omgekeerde is waar. Als ik over al het kwaad zou moeten vertellen, krijgen wij een lange lijst van feiten. Een lijst waar je verdrietig van zou kunnen worden, boos.

Het is naar aanleiding van al dat kwaad, dat in de eerste lezing van vandaag God de profeet Ezechiël naar de mensen toestuurt. Het is een opstandig volk, zij èn hun voorvaderen, maar - zo zegt God - zij zullen weten, dat er een profeet in hun midden is.

Vandaag zegt de apostel Paulus in de tweede lezing, dat hij als dienaar van God zelf óók zwak is. Hij zegt: “Er is een doren in mijn vlees gestoken”. Nu weten wij niet precies wat Paulus met die 'doren' bedoelt. Het zou om een erge lichamelijke pijn kunnen gaan. Misschien heeft het betrekking op de vervolging en tegenwerking, die Paulus bij zijn verkondiging ervaart. Het zou ook om een innerlijke beproeving kunnen gaan, bekoringen waaraan hij maar moeilijk kan weerstaan.

Dan komt er iets héél belangrijks. Eerst komt een smeekbede van Paulus, dan komt het antwoord van God.

Paulus smeekt God tot drie keer toe om hem van deze doren te bevrijden. Dat is iets waar ook wij goed in zijn. Wij vragen God om van allerlei kwaad bevrijd te worden of om er voor gespaard te blijven.

Maar dan komt het antwoord van God. En als je er even goed over nadenkt, komt het misschien als een schok op je over. God zegt om te beginnen: “Je hebt genoeg aan mijn genade”.

Met andere woorden: Ik, God, ben echt niet van plan om jou, Paulus, van je doren, van je probleem, te bevrijden. De kracht van mijn verrezen Zoon, Jezus Christus, draag je in je. Daarmee heb je genoeg om dit aan te kunnen.

En dan zegt God er nog iets bij, namelijk: “Kracht wordt juist in zwakheid volkomen”. Hij bedoelt daarmee het volgende: als wij accepteren dat wij zwak zijn, op welk gebied of op welke manier dan ook, en wij bieden onze zwakheid aan God aan, wij vragen Hem om hulp en laten dan ook zelf de betreffende zwakheid los, dan kan God in actie komen en zijn wondere werken laten gebeuren.

Wij allemaal hebben van die zwakheden. Sommige mensen worden gauw boos, ongeduldig en even later hebben zij er spijt van dat zij een dierbare relatie weer hebben beschadigd. Andere mensen zijn een beetje lui en als zij dan een of ander karweitje niet op tijd af dreigen te krijgen en het moet haast-je-rep-je gebeuren, dan zijn ze doodmoe, gespannen, prikkelbaar tegenover hun omgeving, en degenen voor wie ze het hebben gedaan zijn niet blij met de mindere kwaliteit. Weer andere mensen praten te veel, beloven meer dan zij kunnen waarmaken, oordelen te snel, en zitten dan weer met de brokken.

De grote heiligen, broeders en zusters, leren ons, dat God het een tijdje kan toelaten, dat wij steeds weer in een of andere zwakheid vallen... om ons te doordringen van onze kleinheid... in de hoop, dat wij vaker zijn hulp gaan inroepen.

Met je man of vrouw, met je kinderen en kleinkinderen, heb je geregeld contact. Met sommigen vele keren op een dag. Dat maakt dat we een ‘persoonlijke relatie’ hebben. Er is iets tussen jullie. Je weet elkaar te vinden als het goed gaat, maar ook als het slecht gaat.

Wel, hoe vaak op een dag weten wij God of Jezus Christus of Moeder Maria te vinden? Als wij zouden turven, tot hoe vaak zouden wij dan komen? Eén keer op een dag, drie keer, vijf of tien keer of zijn er misschien ook dagen, dat wij God helemaal vergeten? Als er iets ergs gebeurt of juist iets moois of iets moeilijks, halen wij God er dan spontaan bij? Zit het geloof zo diep in ons ingebakken dat wij - zoals kleine kinderen bij pijn en verdriet automatisch naar vader of moeder gaan - wij ook vanzelf onze toevlucht nemen tot God? Is Hij de eerste aan Wie wij denken?

Zijn het niet de persoonlijke relaties, die ons op de been houden? Waar we warm van worden? Die ons iedere keer weer een duwtje in de rug geven? Dat hebben wij ook in de Kerk nodig. Een warme relatie met God en met elkaar. Voor onszelf hebben wij dat nodig, maar ook de Kerk zelf moet warmte uitstralen, zodat nieuwe mensen vanzelf naar de Kerk komen. Weten wij nog, dat bijna aan het einde van het evangelie van vandaag Jezus zei, dat Hij verwonderd stond over het ongeloof van zijn dorpsbewoners en dat Hij daardoor niet veel wonderen kon verrichten?

Ik denk, dat er bij ieder van ons nog wel wat valt te verbeteren aan de persoonlijke relatie met God. Laten wij Hem er bij halen, iedere keer als het goed gaat of als het slecht gaat. Laten wij ons daarin oefenen, zoals wij ons in honderden andere dingen hebben geoefend. Een klein kind oefent in het knopen van zijn veters, oefent letters en sommetjes. Groteren oefenen in het spreken van een vreemde taal of in het bedienen van ingewikkelde machines. Oefenen hoort bij het leven, tot je laatste dag. En als het soms niet zo best gaat, laten wij dan eraan denken, dat God er niet is om problemen op te lossen, maar om de liefde en de kracht en de wijsheid te geven om er mee om te kunnen gaan. En die liefde, kracht en wijsheid, zit al ìn ons, omdat God in ons leeft. Wij hoeven het niet ver te zoeken: God is in ons. En wij hebben genoeg aan zijn genade.

Jezus stond ook eens verwonderd over het grote geloof van een heidense officier. Moge Hij ook verbaasd en blij zijn met de warme en diepe relatie, die wij met Hem hebben. Dan zullen wij op onze beurt verbaasd staan over het vele goede dat Hij voor ons doet.

SLOTWOORD

Broeders en zusters, soms kunnen wij er van genieten hoe mensen met elkaar omgaan: zo lief en behulpzaam, vriendelijk, vriendschappelijk. Mensen kunnen elkaar tot steun zijn, ja, soms zelfs elkaar tot redding zijn.

Als wij al tegenover elkaar zo kunnen doen, laten wij dat dan zeker doen in onze relatie met God. Wij hebben zo veel meer aan Hem te danken. Gaan wij ook met God om als met een echte Vriend, een Vader. Dan zal ook Hij zich van zijn beste kant laten zien.