Home - Dionysiusparochie
Bookmark and Share

Preek op 22-07-2018, 16e zondag door het jaar B, pastoor Frank Domen

23-07-2018
Home >>

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, van harte welkom. Vandaag gaat deze viering over de zorg, die de herders van de Kerk moeten geven aan de hun toevertrouwde mensen. Wij kunnen de lezingen natuurlijk ook toepassen op het zorg dragen voor elkaar.

In het Oude Testament is God niet altijd tevreden over de herders. En daarom zal Hij in de toekomst een eigen Herder sturen. Dat wordt natuurlijk Jezus Christus.

In de tweede lezing horen wij hoe Deze het leven van zijn schapen met zijn eigen Bloed heeft vrijgekocht. En het evangelie meldt hoe Jezus Christus zorg draagt voor zijn apostelen. Hij nodigt hen uit om uit te rusten van het pastorale werk, dat zij hebben gedaan.

Beste medegelovigen, hoe vaak bidden jullie voor de herders van de Kerk? Hoe vaak vragen jullie God om goede herders? Bij de rozenkrans op de weekdagen bidden wij het laatste tientje altijd voor de herders van de Kerk en voor de religieuzen. Wij bidden, dat zij mogen volharden in hun heilige roeping en wij bidden ook om nieuwe roepingen tot het priesterschap, het diakonaat en het religieuze leven, óók uit ons eigen midden.

Laten wij in deze viering ook daarom bidden. Misschien kunnen wij in de vakantie ook eens een keer extra om 08.30 uur naar de rozenkrans komen en om 09.00 uur naar de Mis. De meeste mensen hebben tijd zat. Dus ... waarom niet!?

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Hemelse Vader, Gij hebt uw eigen Zoon gezonden om voor ons uit te gaan op onze levensweg. Wij bidden U: laat ons Hem volgen in de kracht van uw Geest en breng ons voor altijd samen in uw stad van vrede. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon ...

PREEK 

Vorige week vertelde het evangelie ons, dat Jezus zijn leerlingen uitzond. Vandaag horen wij Hem zeggen, dat zij ook rust moeten nemen. Hij stuurt hen op pad om het kwaad te bestrijden. In de Bijbel heet dat: de satan verdrijven. ‘Satan’ is een Hebreeuws woord, en het betekent: brenger van tweedracht, onruststoker, ruziemaker.

Jeremia klaagt de herders van zijn dagen aan, omdat ze mensen verloren laten lopen. Ze drijven mensen uit elkaar, en zetten hen tegen elkaar op om er zelf beter van te kunnen worden. “Wee u”, zegt de profeet herhaaldelijk, “wat jullie doen, is des duivels. Wacht maar - laat God weten - Ik ga herders zoeken, die werkelijk weiden en bijeenhouden, en er komt nog eens een echt goede Herder, die gerechtigheid brengt, en bij wie iedereen zich veilig kan voelen”.

In Jezus wordt deze profetie werkelijkheid. Die goede Herder zoekt helpers, die het kwaad zullen bestrijden, die de mensen weer zullen samenbrengen. Met die opdracht zendt Hij hen uit. Wanneer ze terugkomen van hun eerste stageperiode, hun eerste missietocht, mogen zij uitrusten.

In veel parochies wordt door herder en kudde hard en ijverig gewerkt ten bate van mensen en de gemeenschap. Het is dan goed zo nu en dan eens uit te rusten en vakantie te vieren. Maar ook door het jaar is het goed op adem te komen, biddenderwijs bij God, pratenderwijs bij elkaar. Waar alleen maar hard gewerkt wordt, en bezinning ontbreekt, zal het werk vastlopen.

Jezus brengt zijn medewerkers naar een rustige plek. Tenminste, dat denkt Hij. Want wanneer ze aan de overkant van het meer aankomen, staan er alweer volop mensen Hem op te wachten. “Hij kreeg medelijden met hen”, schrijft Matteüs, “want zij waren als schapen zonder herder”.

In Jezus’ tijd zijn er overigens geestelijk leiders genoeg, en volop priesters. In Jeruzalem hoeven zij slechts bij toerbeurt dienst te doen. En het ontbreekt hun niet aan schriftgeleerden, mannen, die de boeken van Mozes bestuderen, en de godsdienstwetten uitleggen. Geestelijk leiders genoeg, maar te weinig echte herders. Godsdienst is verworden tot boekenwijsheid, en vroom leven is precies de wetten onderhouden. Maar al die geleerde meneren geven geen antwoord op de levensvragen en de noden van gewone mensen. En dan komen - ook in onze dagen - de herders zonder schapen.

De mensen zoeken Jezus, omdat Hij een echte herder is, eentje, die luistert naar de vragen van mensen, en die zich inzet voor een eerlijke samenleving. En wanneer het ook Hem weleens te veel wordt, trekt Hij zich terug op een eenzame plaats om uit te rusten, om te bidden, om tot zichzelf te komen, om kracht op te doen. Hetzelfde leert hij aan zijn leerlingen: jullie moeten zorg hebben voor mensen, maar ook pauzeren, om kracht op te doen ten bate van anderen.

Lieve mensen, de apostelen werden door Jezus erop uitgestuurd om de Satan te verslaan. Een heilige, die ons daarover kan leren, is de Don Bosco. Deze verkreeg van de heilige Maagd alles wat hij vroeg. En God zelf onderrichtte hem in dromen. Zijn dromen zijn opgetekend en verzameld, ook voor ons. Laten we een van zijn dromen wat nader bekijken: die van de slang, over de Satan.

Aan de vooravond van het hoogfeest van de Ten Hemelopneming van Maria, in de nacht van 14 op 15 augustus 1862, droomt Don Bosco, dat hij zich met zijn jongeren in het huis van zijn broer bevindt. Opeens staat zijn ‘Gids’ voor hem, niemand minder dan Moeder Maria.

De Gids laat hem op de weide naast de binnenplaats van de boerderij tussen het onkruid een slang zien van wel 7 á 8 meter. Don Bosco is doodsbang. Maar Maria stelt hem gerust. Zij neemt een touw en vraagt Don Bosco het vast te houden bij een van de uiteinden. Zelf neemt zij het andere uiteinde en slaat krachtig de slang op zijn rug waardoor een diepe wond ontstaat. De slang slaat te pletter op de grond. Hij draait zijn kop om en probeert te bijten, maar dit lukt niet, want hij zit vastgesnoerd in het touw.

Maria zegt Don Bosco het touw goed vast te houden. Zelf bindt zij het ene uiteinde vast aan een perenboom en het andere aan een rasterwerk, dat voor de ramen van de boerderij is gemonteerd. De slang is woedend en verzet zich uit alle macht tegen zijn gevangenneming, en slaat vervolgens te pletter tegen de grond. Zijn huid scheurt in flarden en de stukken ervan vliegen in de rondte. Er blijft niets van hem heel en alleen een afgetakeld skelet blijft achter op de grond.

Wanneer de slang dood is, maakt de Gids het touw los en stopt het in een koffertje. Even later doet zij het weer open. Don Bosco en zijn jongeren kijken erin en zijn verbaasd te zien, dat het touw in de vorm ligt van twee woorden: Ave Maria. Maria legt uit, dat de slang de Satan verzinnebeeldt en het touw, dat is de Rozenkrans waarmee wij de duivel en de hel kunnen overwinnen.

Tot zijn grote ontzetting ziet Don Bosco hoe vele jongeren de uiteengereten stukken van de slang gaan verzamelen en opeten en erdoor vergiftigd worden.

Volledig ontredderd begint Don Bosco tegen de jongeren te schreeuwen; de een geeft hij een draai om zijn oren en de ander een stomp met zijn vuist. Maar het is tevergeefs.

Wanhopig vraagt Don Bosco aan zijn hemelse Gids of er geen remedie is tegen dit grote kwaad. Maria antwoordt, dat er geen andere oplossing is dan een hamerblok en een hamer. De hamer symboliseert de biecht en het hamerblok de Communie. De ‘heilige’ van de jongeren wordt een van de vurigste bidders van de Rozenkrans.

Op een dag komt een hoogwaardigheidsbekleder op bezoek bij Don Bosco, en deze toont hem het werk, dat hij doet onder de jongeren. De eregast is heel blij, maar vraagt toch even waarom Don Bosco elke dag zoveel tijd besteedt aan het bidden van de Rozenkrans? In verband met de vele jongeren lijkt dit verloren tijd, tijd die voor meer belangrijke dingen gebruikt zou kunnen worden.

Maar Don Bosco antwoordt: “Het laatste, dat ik mijn jongeren zal ontnemen, is het Rozenkransgebed. Want het is het meest zekere middel om zich te beschermen tegen de aanvallen van de Satan, en om zich te sterken in het geloof, en om de zuiverheid van de jongeren te beschermen, en om zich tegen fouten te weren, en om de Kerk te steunen.”

Lieve mensen, ik hoop, dat wij allemaal veel bidden, liefst ook de rozenkrans, hier in de kerk of thuis; dat wij zo het zendingswerk van de Kerk willen steunen en het leven van verdwaalde mensen weer op de rechte weg zetten. Amen. 

Terug

Reacties

Nog geen reacties

Reageer