Bookmark and Share

Preek op 11-03-2018, 4e zondag van de Veertigdagentijd, jaar B, pastoor Frank Domen

11-03-2018
Home >>

OPENINGSWOORD

Beste mensen, allemaal van harte welkom.

Hoeveel dingen zijn er niet, die wij niet aan onszelf, maar aan anderen te danken hebben. Sowieso ons leven. Ook veel van wat wij kunnen en kennen hebben wij deels aan onszelf te danken, maar voor een deel ook aan wat anderen aan ons hebben willen leren.

Geven is belangrijk, maar vragen is ook! Onze wereld kent grote problemen. Wel, God heeft zelfs oplossingen, die nog groter zijn dan onze problemen. Durven wij ze in deze viering bij God af te smeken. Afsmeken wil zeggen, dat wij ze moeten blijven vragen, met hoe meer mensen, hoe beter. Vooral zaken, die een eeuwigheid meegaan: liefde, wijsheid, geloof, hoop en liefde; het inzicht en de wil en de kracht om te bekeren en een nieuw leven te gaan leiden. Vragen wij het voor onszelf, voor onze dierbaren, ja, voor héél de Kerk en héél de wereld.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Goede God, wij hebben gezondigd, wij zijn verlamd en niet bij machte uit eigen kracht weer op te staan. Wie immers kan verzoenen dan Gij alleen? Zie neer op ons geloof, wees voor ons een barmhartige Vader omwille van uw Zoon, die de vergiffenis is van alle zonden: Jezus Christus, onze Heer. Die met U leeft en heerst ... Amen.

KINDERWOORDDIENST

PREEK 

In het evangelie van vandaag zegt Jezus Christus, dat iedereen, die in Hem gelooft eeuwig ‘leven’ zal hebben.

Het woordje ‘leven’ staat tegenover het woordje ‘dood’. Nu is het zo, dat een woord een letterlijke betekenis kan hebben én een figuurlijke. Dood ben je als je hart niet meer klopt. Maar wij zeggen ook wel, dat wij doodziek zijn, wij schrikken ons dood, vervelen ons dood, zijn doodsbang, doodmoe, doodongelukkig. De angst of de verveling héél diep in ons zit.

Zo zegt de apostel Paulus in de tweede lezing van vandaag, dat wij allen ‘dood’ waren door de zonde. De zonde zat diep in ons. Onze lichamen leefden wel, maar in ons hart was er iets kapot gegaan, namelijk de vriendschap met God. Maar dan zegt Paulus ook weer, dat hij door Jezus Christus is geraakt, dat hij door Hem genezen is, en dat hij daardoor weer helemaal leeft. Hij heeft zelfs nu pas ontdekt wat het echte leven is.

Die ervaring, lieve medeparochianen, kunnen ook wij opdoen door deze heilige Eucharistieviering ... op voorwaarde, dat wij er naar verlangen. “Zoekt en gij zult vinden,” zegt de Heer, “vraagt en gij zult verkrijgen.”

Als wij hier in de stilte van ons hart, vóór het altaar van de Heer, uitspreken, dat wij ons bijvoorbeeld zo moe voelen of moedeloos, dat wij bijvoorbeeld in de omgang met onze medemensen iedere keer weer aanlopen tegen onze eigen kleinheid en zwakheid, vraagt de Heer ons, zoals Hij dat doet bij alle mensen in het evangelie: Geloof je, dat Ik je kan genezen? Als wij dan, weer in diezelfde stilte van ons hart, keer op keer uitroepen: Heer, ik geloof, dat U mij kunt genezen - wij kunnen zelfs toevoegen “ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp” - dan zal het op den duur gebeuren, minstens dat Hij ons helpt om verder te kunnen.

Wat wij van tijd tot tijd aan doodsheid en dorheid ervaren, kan ook binnen een heel volk gebeuren. Kijken wij maar naar hoe innerlijk doodziek het in de eerste lezing genoemde joodse volk was ... door eigen schuld. Het grootste deel van het rond het jaar 587 vóór Christus levende volk had zich door nota bene binnen de tempel aan afgoden te offeren van Jahweh God afgekeerd en daardoor kon God hen niet meer beschermen.

Afgoden kunnen dode beelden zijn, maar ook als mensen zo veel tijd besteden aan werk en hobby en sport, dat God en medemensen daaronder lijden, verwijderen dergelijke praktijken hen van God en medemensen en als zij zich dan niet bekeren, kan dat een keuze worden met eeuwigdurende gevolgen. Voor het eeuwig leven bouwen zij niets op; zij breken alleen maar af. En dat terwijl zij maar één leven hebben om de eeuwigheid te verdienen.

God had allerlei profeten naar zijn volk gestuurd, die als boodschappers namens God de priesters en het volk waarschuwden, maar niemand wilde luisteren. En toen gebeurde het: het hele land werd door de vijanden platgewalst en wie het overleefden, werden in ballingschap weggevoerd. Het ergste voor de joden was nog, dat zij het idee hadden - ten onrechte - dat zij door God in de steek gelaten waren.

Na deze grote rampen begonnen de mensen weer naar de profeten te luisteren. En díe bleven optimistisch en zeiden: Het kan niet zo zijn, dat God ons in de steek heeft gelaten. Als wij weer tot Hem, de ware God, gaan bidden en wij gaan weer eerlijk en oprecht met elkaar om, arm of rijk, ziek of gezond, dan zullen wij ooit Gods zegen weer mogen ervaren. Als wij blijven geloven in God en zijn liefde, dan hebben wij weer toekomst.

In het Europa van deze tijd en ook in Nederland zijn veel mensen materieel gezien steenrijk; op geestelijk niveau zijn ze straatarm.

Daarom vraagt God ons, die naar de Kerk gaan of wij, samen met onze Paus, de profeten en profetessen willen zijn voor de geestelijk arme mensen van deze tijd. Of wij - wanneer het in gezelschap van pas komt - willen getuigen van ons geloof, dat God werkelijk bestaat, en dat wij dat in goede en slechte dagen aan den lijve hebben ervaren; en of wij het aandurven om met volle overtuiging tegen een medemens in nood te zeggen, dat God van hem houdt. Gewetensvraag: wanneer hebben wij voor het laatst een hand op iemands schouder gelegd en met onze grootst mogelijke begripvolle glimlach tegen iemand gezegd: “God houdt ook van jou! Weet je dat?” Die woorden kunnen als een heilzame balsem zijn.

Voor de joden van 587 vóór Christus brak na enige tijd weer een nieuwe periode aan. En het heil kwam daarbij uit onverwachte hoek. De heidense koning van Babylonië had de joden hun land ontnomen. Maar de eveneens heidense koning van Perzië, het huidige Iran, gaf Israël weer aan hen terug.

Als ik de boodschappen van Moeder van Maria in Medjugorje mag geloven - en ik doe dat met héél mijn hart - zal ook voor ons te zijner tijd een nieuwe tijd aanbreken. En ook voor ons zal het uit een onverwachte hoek komen: uit Rusland.

Voor de westerse landen is Rusland zo’n beetje staatsvijand nummer 1, maar de paus en bisschoppen over heel de wereld, hebben enige jaren geleden Rusland toegewijd aan het Onbevlekte Hart van Maria. Moeder Maria had dat eigenlijk al in 1917 gevraagd. Nog niet zo heel lang geleden hebben onze eigen bisschoppen ook heel Nederland aan haar toegewijd. En momenteel is er in Rusland sprake van een grote opleving van het geloof. Er worden enorme kathedralen gebouwd. En als onze westerse politici Poetin nu maar niet te veel in het nauw drijven - een kat in nood maakt gekke sprongen - kunnen wij veel goeds verwachten.

Laten wij, mensen van Heerhugowaard, de voorlopers zijn van de nieuwe opleving. De vastentijd is een mooie periode om daar extra aandacht aan te geven.

Ook voor Nicodemus in het evangelie van vandaag kwam het goede nieuws uit een onverwachte hoek: hij hoorde een boodschap van eeuwig leven uit de mond van een timmerman van Nazareth. Maar hij was bang - misschien wel doodsbang - om voor zijn vriendschap met Jezus Christus uit te komen. Daarom sprak hij met Hem wanneer niemand hen kon zien.

Zeggen wij alle dingen tegen God, zoals wij ook doen tegenover een goede vriend of vriendin. Dan weet God, dat wij Hem als onze Vader aanvaarden; dan zal Hij ons naar zijn Zoon trekken. En die zal ons dan zijn verrijzeniskracht geven. Zijn leven wordt dan ons leven, zijn blijdschap onze blijdschap. Gaan wij met God om als Iemand, die van ons houdt. En nogmaals: zeggen wij dat af en toe ook eens tegen een ander: Weet je dat God heel veel van je houdt!? Verkondigen wij een Blijde Boodschap. Amen. 

Terug

Reacties

Nog geen reacties

Reageer