Bookmark and Share

Preek op 01-04-2018, Eerste Paasdag, jaar B, diaken Eelke Ligthart

01-04-2018
Home >>

OPENINGSWOORD

Allemaal hartelijk welkom bij de viering van de verrijzenis van de Heer op Paaszondag.

40 dagen voorbereiding op deze dag. De dag waarop we de opstanding van Jezus vieren. 40 dagen geen halleluja, 40 dagen van inkeer van bekering, hopelijk heeft u daarin een stap voorwaarts kunnen zetten.

Een tijd uitmondend in de Goede week, die eindigde met de dood van Jezus. Het was een teleurstelling voor zijn leerlingen die niet hadden begrepen dat Hij na drie dagen zou opstaan. Wat betekende toch dat opstaan?

In het Evangelie van vanmorgen snellen ze naar het graf, Maria Magdalena als eerste en zegt tegen Petrus en Johannes dat ze de Heer hebben weggenomen.

Als ze gaan kijken, ze zien, maar ze zien ook niets. Johannes gaat naar binnen in het graf en zo staat er: hij ziet en gelooft!!

Laten ook wij zien en geloven dat het opstaan van Jezus ook ons opstaan moet zijn in onze wereld in onze tijd. Een viering van opstaan en leven soms tegen alle verdrukking in.

PREEK

Dierbare medegelovigen, de paasliturgie is opgetogen, is blij, ze is vol van halleluja. Hierdoor moet het voor ons, voor iedereen, voor alle christenen wel duidelijk worden dat ons geloof valt of staat met het geloof in de verrijzenis. Anders gezegd dat we geloven dat Jezus leeft, dat hij is opgestaan uit de dood.

Dat is onvoorstelbaar, maar geweldig nieuws. En dat zou Pasen opnieuw voor ons, voor u en mij, ook moeten zijn.

Maar misschien bekruipt ons ook elk jaar wel weer een beetje het gevoel van, ja maar….. Klopt het wel, wij willen toch overal graag bewijzen van hebben.

Maar aan de andere kant….Stel dat het toch eens echt waar zou mogen zijn. Die zelfde aarzeling bespeur ik ook in het zojuist gelezen paasevangelie van Johannes.

Het maakt op het eerste gezicht een wat vreemde indruk. Eigenlijk is er bij Johannes nog niks geen blijdschap of jubbelachtigs te bespeuren. Het is een wat schemerachtig verhaal, letterlijk en figuurlijk.

Het begint allemaal bij Maria Magdalena. Nog beduusd door wat er allemaal is gebeurt, raakt ze totaal verward, als ze het lege graf ziet. Eenzelfde schemer overvalt ook Petrus en Johannes. In een soort wedloop rennen ze naar het graf, alsof het er om gaat wie de eerste is. Ze zien wat en ze zien ook weer niks. Er is grote aarzeling, en dan toch: Hij zag en geloofde, want ze hadden blijkbaar tot op dat moment nog niet begrepen wat er in de Schrift stond, en ondanks dat ze het zelf van Jezus hadden gehoord, dat hij uit de doden zou opstaan.

Hij, Johannes, zag en geloofde, maar wat geloofde hij. Dat staat er zo duidelijk niet. Ja ze snapten het allemaal nog niet. Het schemerige is nog niet opgetrokken ondanks dat het dag is geworden, ondanks dat ook wij de ogen weer hebben geopend en zijn opgestaan.

Voor de vrouw in het verhaal, Maria Magdalena, is het anders. Bij haar, en zij is de eerste, zal het vervolg van dit Paasevangelie de herkenning langzaam doorbreken. Dat zij verderop in het Evangelie Jezus aanziet voor een tuinman is niet zo gek. Want in diezelfde tuin is het hele Pasen op Goede Vrijdag wel begonnen. Daar in die tuin, net als in de tuin waar Adam, de eerste mens door God werd geboetseerd uit de aarde en de levensadem kreeg, daar speelt opnieuw de opwekking van de nieuwe Adam zich af, de nieuwe mens, Jezus de Verrezene.

En precies in dat tussengebied, dat schemergebied van leven of niet leven, ontkom je niet aan zo’n schemergevoel, misschien wel een tegenstrijdig gevoel, een vaak moeilijk te peilen spanning.

Immers wie houdt er niet van een mooie lentetuin een soort paradijs dat opbloeit in het voorjaar, moeder aarde die haar groeikracht laat zien, ondanks dat stormen soms de herfst lijken aan te kondigen. Ondanks dat zal toch het licht doorbreken en het duister zal moeten wijken.

Maar tegelijkertijd horen en zien we de onmacht van de mens, de opstandigheid om een mooie lentetuin van ons leven te maken. De natuur wordt bedreigd, de aarde verschroeid door oorlogsgeweld, de pijnlijke onmacht van mensen om elkaar het licht te gunnen, in landen, maar ook binnen families.

Dan weet je dat er nog een hele weg is te gaan; dat Pasen een soort tussen stopt lijkt van opstaan en van protest tegen de dood die mensen elkaar aandoen.

Pasen mag geen automatisme worden. Het is een kwetsbaar feest tegen alle schemerduister in, tegen alle verdrukking in. Laten we het schemerduister niet vergeten, maar dat we verbijsterd blijven om alle leed dat mensen elkaar aandoen, dat we opnieuw mensen worden zoals Jezus; dat mensen elkaar uitzicht bieden, dat we samen met Christus mogen opstaan en elkaar hoop geven.

“Vroeg, op de eerste dag van de week, toen het nog donker was….”. Geen bliksemschichten, geen flitsende lichten, nee diepe stilte. Schoorvoetend, aarzelend met Petrus en Johannes: zien of toch niet zien, gaan of toch niet..

Dat is altijd het begin van een nieuwe weg, een weg van opstaan, van opstandig zijn, maar toch durven verder gaan, een weg van verrijzenis. Daar is tijd voor nodig, soms veel tijd om het te zien, om het te durven, te willen, maar ook om het te kunnen.

Zoals in het Evangelie van Johannes; tijd om inzicht te krijgen door het schemer heen.

Jezus, Hij gaat ons voor, Hij verbreekt alle duisternis, zelfs de duisternis van de dood. Dat is het: opstaan uit ellende, opstaan uit de dood en een soms doods bestaan, elke dag opnieuw.

In die zin moet Pasen ons Paasfeest worden, een feest van hoop, van elkaar ontmoeten, van elkaar zien staan, elkaar een nieuwe kans geven, zoals Jezus dat deed.

Ik wens u toe, in deze geest, een Zalig Pasen: laten we opstaan en leven. Amen.

Terug

Reacties

Nog geen reacties

Reageer