Bookmark and Share

21e zondag door het jaar B

eerste lezing (Joz. 24, 1-2a.15-17.18b)

Uit het boek Jozua.

In die dagen riep Jozua alle stammen van Israël in Sichem bijeen,
met de oudsten van Israël, de familiehoofden,
de rechters en de schrijvers.
Toen zij voor God stonden, richtte Jozua zich tot het volk en sprak:
“Zo spreekt de Heer God van Israël:
Als gij de Heer niet wilt dienen,
kies dan nu wie gij wel dienen wilt:
de goden die uw voorouders aan de overkant van de Rivier
hebben vereerd
of de goden van de Amorieten, in wier land gij woont.
Ik en mijn familie, wij dienen de Heer.”
Het volk antwoordde:
“Wij denken er niet aan de Heer te verlaten en andere goden te vereren.
De Heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid,
uit het land van de slavernij.
Hij heeft voor onze ogen grote tekenen verricht
en ons beschermd op al onze tochten
en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen.
Ook wij willen de Heer dienen,
Hij is onze God.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (psalm 34/33)

Refrein:
Let op en bemerkt hoe genadig de Heer is.

De Heer zal ik prijzen iedere dag,
zijn lof ligt mij steeds op de lippen.

Mijn geest is fier op de gunst van de Heer,
laat elk die het hoort zich verheugen.

Het oog van de Heer is gericht op de vrome,
zijn oor naar hun smeken gekeerd.

Van boosdoeners keert Hij zijn aangezicht af,
zij worden op aarde vergeten.

Naar vromen die roepen luistert de Heer
en redt hen uit iedere nood.

De Heer is nabij voor rouwmoedige harten,
Hij helpt wie zijn schuld erkent.

Veel rampen zullen de vrome bedreigen,
uit elk daarvan redt hem de Heer.

De Heer zal over zijn beenderen waken,
opdat hij er geen van breekt.

Het kwaad van de zonde loopt uit op de dood,
wie vroomheid veracht wordt gestraft.

De Heer redt het leven van wie Hem dient,
al wie tot Hem vlucht heeft geen straf te duchten.

tweede lezing (Ef 5, 21-32)

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze.

Broeders en zusters,

weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus.
Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer.
Want de man is het hoofd van de vrouw,
zoals Christus het hoofd is van de kerk.
Hij is ook de Verlosser van zijn lichaam;
maar zoals de kerk onderdanig is aan Christus,
zo moet ook de vrouw haar man in alles onderdanig zijn.
Mannen,
hebt uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad;
Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen,
haar reinigend door het waterbad van het woord.
Hij heeft de kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid,
zonder vlek of rimpel of fout,
heilig en onbesmet.
Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben,
zoals ze hun eigen lichaam liefhebben.
Wie zijn vrouw bemint, bemint zichzelf.
Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat;
integendeel, hij voedt en koestert het.
En zo doet Christus met de kerk,
omdat wij ledematen zijn van zijn lichaam.
“Daarom zal de man vader en moeder verlaten
om zich te hechten aan zijn vrouw
en die twee zullen één vlees zijn.”
Dit geheim heeft een diepe zin.
Ik voor mij betrek het op Christus en de kerk.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

vers voor het evangelie (Joh 14, 23)

Alleluia.
Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden;
mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen.
Alleluia.

evangelie (Joh 6, 60-69)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes.
Lof zij U, Christus.

In die tijd zeiden velen van Jezus’ leerlingen:
“Deze taal stuit iemand tegen de borst.
Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?”
Maar Jezus,
die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden,
vroeg hun:
“Neemt gij daar aanstoot aan?
Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen
naar waar Hij vroeger was?
Het is de geest, die levend maakt,
het vlees is van geen nut.
De woorden, die Ik tot u gesproken heb,
zijn geest en leven.
Maar er zijn er onder u,
die geen geloof hebben.”
- Jezus wist inderdaad van het begin af aan
wie het waren die niet geloofden
en wie Hem zouden overleveren. -
Hij voegde er aan toe:
“Daarom heb Ik u gezegd,
dat niemand tot Mij kan komen
als het hem niet door de Vader gegeven is.”
Tengevolge hiervan
trokken velen van zijn leerlingen zich terug
en verlieten zijn gezelschap.
Waarop Jezus aan de twaalf vroeg:
“Wilt ook gij soms weggaan?”
Simon Petrus antwoordde Hem:
“Heer, naar wie zouden wij gaan?
Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven
en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.