Bookmark and Share

6e zondag door het jaar B

eerste lezing (Lev. 13, 1-2.45-46)

Uit het boek Leviticus.
De Heer sprak tot Mozes:
“Heeft iemand een gezwel, uitslag of een vlek
op zijn huid
en gaat het lijken op huidziekte,
dan moet men hem bij de priester Aäron
of bij een priester van diens geslacht brengen.
Degene, die aan huidziekte lijdt,
moet in gescheurde kleren lopen
en zijn haren los laten hangen;
hij moet zijn baard bedekken en roepen:
Onrein, onrein!
Zolang de ziekte duurt is hij onrein;
hij moet apart wonen en buiten het kamp blijven.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 32/31)

Refrein: Mijn toevlucht zijt Gij, mijn Redder in nood,
Gij hult mij in voorspoed en vreugde.

Gelukkig degene wiens fout werd vergeven,
wiens zonde door God werd bedekt.
Gelukkig de mens die geen schuld heeft bij God,
wiens hart geen misdaad verbergt.

Toen heb ik mijn zonde beleden voor U,
mijn schuld niet langer ontkend.
Ik sprak: voor de Heer beken ik mijn fout;
toen hebt Gij mijn zonde vergeven.

Want talrijke rampen treffen de zondaar,
maar God beschermt die vertrouwen op Hem.
Weest blij in de Heer, alle vromen,
verheugt u en jubelt, oprechten van hart.

tweede lezing (1 Kor. 10, 31-11, 1)

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters,
of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet,
doet alles ter ere Gods.
Geeft geen aanstoot
noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan Gods Kerk;
ook ik tracht allen zoveel mogelijk ter wille te zijn
en ik zoek niet mijn eigen voordeel,
maar dat van de gemeenschap,
opdat allen gered worden.
Weest mijn navolgers
zoals ik het ben van Christus.
Woord van de Heer.
Wij danken God.

vers voor het evangelie (Joh. 8, 12)

Alleluia.
Ik ben het licht van de wereld, zegt de Heer,
wie Mij volgt zal het licht des levens bezitten. Alleluia.

evangelie (Mc. 1, 40-45)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

In die tijd kwam er eens een melaatse bij Jezus,
die op zijn knieën viel en Hem smeekte:
“Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen.”
Door medelijden bewogen, stak Hij de hand uit,
raakte hem aan en sprak tot hem:
“Ik wil, word rein.”
Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.
Terwijl Hij hem wegstuurde, vermaande Hij hem met klem:
“Zorg ervoor, dat ge aan niemand iets zegt,
maar ga u laten zien aan de priester
en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven,
om ze het bewijs te leveren.”
Eenmaal vertrokken
begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen
en ruchtbaarheid aan de zaak te geven,
met het gevolg,
dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen,
maar buiten op eenzame plaatsen verbleef.
Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.
Woord van de Heer.
Wij danken God.