Bookmark and Share

H. Jozef, Bruidegom van de H. Maagd Maria

eerste lezing

Uit het tweede boek Samuël.
In die dagen werd het woord van de Heer gericht tot de profeet Natan: “Zeg aan mijn dienaar David: Zo spreekt de Heer: Als uw dagen voleind zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt, hoog verheffen en zijn koninklijke macht in stand houden. Hij zal een huis bouwen ter ere van mijn Naam en Ik zal zijn koninklijke troon voor altijd in stand houden. Ik zal hem tot vader zijn en hij zal mijn zoon zijn. Zo zal uw huis en uw koninklijke macht altijd stand houden; uw troon staat vast voor eeuwig.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 89/88)

Refrein:
Zijn nageslacht zal blijven voor altijd.

Uw gunsten, Heer, wil ik bezingen, uw trouw verkondigen aan elk geslacht. Gij hebt gezegd; mijn gunst blijft eeuwig duren, de hemel is de grondslag van mijn trouw.

Ik heb met David een verbond gesloten, mijn uitverkoren dienaar met een eed beloofd: Ik zal uw nageslacht in stand houden voor eeuwig, in alle tijden blijft uw troon bestaan.

tweede lezing (Rom. 4, 13.16-18.22)

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome.
Broeders en zusters, de belofte aan Abraham en zijn nakomelingen, dat zij de wereld zouden erven, steunt niet op de wet, maar op de gerechtigheid van het geloof. Daarom hangt het af van het geloof en dus van de genade en is de belofte verzekerd voor heel het nageslacht, niet alleen voor hen, die de wet hebben ontvangen, maar voor allen, die het geloof navolgen van ons aller vader Abraham. Van hem staat immers geschreven: “Ik heb u vader gemaakt van vele volken.” Hij is dit voor het aanschijn van God, in wie hij heeft geloofd, die de doden levend maakt en wat niet bestaat in het aanzijn roept. Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, gelijk hem gezegd was: “Zo talrijk zal uw nageslacht zijn.” Daarom werd het hem als gerechtigheid aangerekend.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

vers voor het evangelie (Ps. 84/83, 5)

(Alleluia.) Gelukkig zij, die wonen in uw huis, o Heer, die U daar altijd mogen prijzen. (Alleluia.)

evangelie (Mt. 1, 16.18-21.24a)

De Heer zal bij u zijn.
De Heer zal u bewaren.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Lof zij U, Christus.

Jakob was de vader van Jozef, de man van Maria, en uit haar werd Jezus geboren, die Christus wordt genoemd. De geboorte van Jezus Christus vond plaats op deze wijze: Toen zijn moeder Maria verloofd was met Jozef bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger van de heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, dacht hij er over in stilte van haar te scheiden. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer, die tot hem sprak: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een Zoon ter wereld brengen, die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.” Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

ofwel

evangelie (Lc. 2, 41-51a)

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
De ouders van Jezus reisden ieder jaar bij gelegenheid van het paasfeest naar Jeruzalem. En overeenkomstig het gebruik bij dit feest gingen zij opnieuw daarheen toen Hij twaalf jaar geworden was. Maar na afloop van die dagen bleef het kind Jezus, terwijl zij terugkeerden, in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders het wisten. In de mening dat Hij zich bij de karavaan bevond, gingen zij een dagreis ver en zochten Hem toen onder familieleden en vrienden. Omdat zij Hem niet vonden, keerden zij al zoekende naar Jeruzalem terug. Pas na drie dagen vonden zij Hem in de tempel, waar Hij te midden van de leraren zat naar wie Hij luisterde en aan wie Hij vragen stelde. Allen die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn begrip en zijn antwoorden. Toen zij Hem daar opmerkten, stonden zij verslagen. Zijn moeder zei tot Hem: “Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar U hebben gezocht.” Maar Hij antwoordde: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Zij begrepen echter niet wat Hij daarmee bedoelde. Hij ging met hen mee naar Nazaret en was hun onderdanig.
Zo spreekt de Heer
Wij danken God.