Bookmark and Share

negende week door het jaar 2, maandag

eerste lezing (2 Petr. 1, 1-7)

Begin van de tweede brief van de heilige apostel Petrus.
Simon Petrus, dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan hen, die door de goedheid van onze God en Heiland Jezus Christus met ons het voorrecht delen van hetzelfde geloof. Genade voor u en vrede in rijke overvloed door de kennis van onze Heer! Want al wat voor leven en vroomheid nodig is, heeft zijn goddelijke kracht ons geschonken met de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door eigen heerlijkheid en wondermacht. Door die heerlijkheid en macht heeft Hij verheven en onschatbare beloften voor ons gerealiseerd, waardoor gij deel hebt gekregen aan Gods eigen wezen, na ontkomen te zijn aan het bederf van de zelfzucht, dat de wereld heeft aangetast. Doet daarom uw uiterste best om uw geloof te voeden met deugd, de deugd met kennis, de kennis met zelfbeheersing, de zelfbeheersing met standvastigheid, de standvastigheid met godsvrucht, de godsvrucht met broederliefde en de broederlijke genegenheid met liefde voor allen.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 91/90)

Refrein:
Voor u is de Heer: mijn God, op wie ik vertrouw.

Gij die de bescherming geniet van de Allerhoogste en die in de schaduw van de Almachtige woont, voor u is de Heer: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God, op wie ik vertrouw.

Wie op Mij rekent zal Ik verlossen, beschermen zal Ik wie Mij erkent. Wanneer hij Mij aanroept zal Ik hem horen, hem bijstaan in iedere nood, hem redden en aanzien schenken.

Zijn levensdagen zal Ik vervullen, mijn zegen zal hij ervaren.

vers voor het evangelie (1 Tess. 2, 13)

Alleluia. Ontvangt het goddelijk woord der prediking, niet als een woord van mensen, maar als wat het inderdaad is: het woord van God. Alleluia.

evangelie (Mc. 12, 1-I2)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

In die tijd begon Jezus tot de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten te spreken in gelijkenissen: “Er was eens een man, die een wijngaard aanlegde, er een omheining omheen zette, een wijnpers er in uithakte en er een wachttoren in bouwde; daarna verpachtte hij hem aan wijnbouwers en hij vertrok naar den vreemde. Op de vastgestelde tijd zond hij een dienaar naar de wijnbouwers om zijn aandeel in de opbrengst van de wijngaard van hen in ontvangst te nemen. Maar ze grepen hem vast, mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug. Daarop zond hij een andere dienaar naar hen toe. Maar ze sloegen hem op zijn hoofd en beledigden hem. Weer stuurde hij er een, maar hem doodden zij; en zo nog verscheidene anderen, die ze mishandelden of doodden. Hij had nu niemand meer dan zijn geliefde zoon. Die stuurde hij als laatste naar hen toe in de veronderstelling: Mijn zoon zullen ze wel ontzien. Maar die wijnbouwers zeiden onder elkaar: Dit is de erfgenaam; vooruit, laten we hem vermoorden, dan zal de erfenis voor ons zijn. Ze grepen hem vast, doodden hem en wierpen hem buiten de wijngaard. Wat zal nu de eigenaar van de wijngaard doen? Hij zal komen, de wijnbouwers ter dood brengen en de wijngaard aan anderen geven. Hebt ge deze schriftplaats niet gelezen: De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd is juist de hoeksteen geworden. Op last van de Heer is dat gebeurd en het is wonderbaar in onze ogen.” Zij zonnen nu op een middel om zich van Hem meester te maken, maar ze waren bang voor het volk, want ze begrepen, dat de gelijkenis die Hij vertelde, op hen sloeg. Zo lieten ze Hem met rust en verwijderden zich.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.