Bookmark and Share

achtste week door het jaar 2, zaterdag

eerste lezing (Judas 17. 20b-25)

Uit de brief van de heilige apostel Judas.
Broeders en zusters, herinnert u wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is. Bouwt uw leven op uw hoogheilig geloof, bidt in de kracht van de heilige Geest, bewaart uzelf in Gods liefde, in afwachting van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken. Hebt medelijden met sommigen, die twijfelen en tracht ze te redden door hen aan het vuur te ontrukken. Bij anderen evenwel moet uw medelijden gemengd zijn met vrees en met afschuw zelfs voor hun door de zonde bezoedeld kleed. Aan Hem die bij machte is u voor struikelen te behoeden en onberispelijk en vreugdevol voor zijn heerlijkheid te doen verschijnen, aan de enige God, die ons redt door Jezus Christus onze Heer, zij heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, vóór alle eeuwigheid en nu en in alle eeuwigheid! Amen.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 63/62)

Refrein:
God, ik zoek U met groot verlangen.

God, mijn God, zijt Gij, ik zoek U met groot verlangen. Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart als dorre akkers naar regen.

Zo zie ik omhoog naar de plaats waar Gij woont, beschouw ik uw macht en uw glorie. Meer waard dan het leven is mij uw genade, mijn mond verkondigt uw lof.

Ik zal U prijzen zolang ik leef, mijn handen uitstrekken naar U. Mijn ziel wordt verzadigd met voedzame spijs, mijn mond zal U jubelend danken.

vers voor het evangelie (Hebr. 4, 12)

Alleluia. Het woord van God is levend en krachtig, en het dringt door tot het raakpunt van ziel en geest. Alleluia.

evangelie (Mc. 11, 27-33)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus.
Lof zij U, Christus.

In die tijd kwam Jezus met zijn leerlingen in Jeruzalem. Terwijl Hij rondwandelde op het tempelplein, traden de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe en ze vroegen Hem: “Welke bevoegdheid hebt Gij om dit alles te doen? En wie heeft U die bevoegdheid dan daartoe gegeven?” Jezus antwoordde: “Ik zal u één enkele vraag stellen en als gij Mij daar antwoord op geeft, zal Ik u op mijn beurt zeggen krachtens welke bevoegdheid Ik dit alles doe. Het doopsel van Johannes, kwam dat van de hemel of van de mensen? Geeft Mij daar een antwoord op.” Zij beraadslaagden onder elkaar. “Als wij zeggen: van de hemel, dan zal Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan geen geloof geschonken? Maar zeggen we: van de mensen?...” Zij waren bang voor het volk, want iedereen hield Johannes voor een profeet. Zij gaven Jezus dus ten antwoord: “Wij weten het niet.” Toen zei Jezus tot hen: “Dan zeg Ik u evenmin krachtens welke bevoegdheid Ik zo handel.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.