Bookmark and Share

zevenentwintigste week door het jaar 2, donderdag

eerste lezing (Gal. 3, 1-5)

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de Galaten.
Domme Galaten, wie heeft u behekst! Jezus Christus was u toch openlijk en onverbloemd beschreven als de gekruisigde? Eén ding wil ik van u horen: hebt gij de Geest ontvangen door de wet te onderhouden of door te geloven in de boodschap van het evangelie? Hoe kunt ge zo dom zijn! Ge zijt begonnen met de Geest, wilt ge nu eindigen met het vlees? Hebt ge zoveel meegemaakt voor niets? Dat kan ik niet aannemen. Nogmaals, als God u de Geest geeft en wonderen onder u bewerkt, is dat omdat ge de wet onderhoudt of omdat ge luistert en gelooft?
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Lc. 1)

Refrein:
Geprezen zij de Heer, de God van Israël, omdat Hij omziet naar zijn volk en het bevrijdt.

Een redder heeft Hij ons verwekt in het geslacht van David, zijn getrouwe; zoals Hij reeds van oudsher had verklaard bij monde van zijn heilige profeten:

verlossing; uit de macht van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten. Zo zal Hij onze vaderen barmhartig zijn, zijn heilige verbond gestand doen.

De eed aan onze vader Abraham gezworen ons eenmaal te verlenen; om aan de greep van vijanden ontrukt Hem zonder vrees te dienen; in vroomheid en gerechtigheid, al onze dagen voor zijn Aanschijn.

vers voor het evangelie (cf. Lc. 8, 15)

Alleluia. Zalig zij, die het woord Gods dat zij hoorden, in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid. Alleluia.

evangelie (Lc. 11, 5-13)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Stel dat iemand van u een vriend heeft. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden, want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten. Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: Val me niet lastig; de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het te geven? Ik zeg u, als hij al niet opstaat en het hem geeft, omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt verkrijgt; wie zoekt vindt; en voor wie klopt, doet men open. Is er soms onder u een vader, die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven? Of als hij een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven? Als gij dus - ofschoon ge slecht zijt - goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.