Bookmark and Share

tweeëntwintigste week door het jaar 2, woensdag

eerste lezing (1 Kor. 3, 1-9)

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters, het was mij destijds niet mogelijk tot u te spreken als waart gij reeds geestelijk en niet langer egoïstisch. In Christus waart gij nog zo jong! Melk moest ik u geven, geen vaste spijs; die kon gij nog niet verdragen. Zelfs nu kunt gij het niet, want gij laat u nog altijd leiden door zelfzucht. Of is het geen uiting van egoïsme en klein-menselijk gedrag dat er onder u naijver en twist voorkomt? Als de een zegt: “Ik ben voor Paulus”, en de ander: “Ik voor Apollos”, zijt gij dan niet al te menselijk? Wat zijn Apollos en Paulus eigenlijk? Niet meer dan ondergeschikten, die behulpzaam waren bij uw bekering, en wel ieder van ons op zijn eigen manier, zoals de Heer het ons vergund heeft: ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei. Noch hij die plant betekent iets, noch hij die begiet, maar alleen God die de wasdom geeft. Die plant en die begiet staan op één lijn, al ontvangt wel ieder loon naar eigen arbeid. Wij zijn Gods medewerkers, gij zijt Gods akker, Gods bouwwerk.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 33/32)

Refrein:
Zalig het volk dat de Heer heeft als God, de natie door Hem tot zijn erfdeel gekozen.

Zalig het volk dat de Heer heeft als God, de natie door Hem tot zijn erfdeel gekozen. Hoog uit de hemel schouwt God omlaag, blikt neer op de zonen der mensen.

Scherp ziet Hij toe van de plaats waar Hij woont op alle bewoners der aarde. Hij heeft de harten van allen gevormd en let op hun doen en laten.

Daarom vertrouwt ons hart op de Heer, is Hij ons een schild en een helper. Daarom is Hij de vreugd van ons hart, zijn heilige Naam onze toevlucht.

vers voor het evangelie (Joh. 14, 5)

Alleluia. Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zegt de Heer; niemand komt tot de Vader, tenzij door Mij. Alleluia.

evangelie (Lc. 4, 38-44)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
Lof zij U, Christus.

In die tijd verliet Jezus de synagoge van Kafarnaüm en ging het huis van Simon binnen. Omdat de schoonmoeder van Simon hoge koorts had, riepen ze voor haar zijn hulp in. Hij kwam aan het hoofdeinde van haar bed staan en gaf een streng bevel aan de koorts. Zij werd ervan bevrijd en ogenblikkelijk stond zij op en bediende hen. Bij zonsondergang brachten allen hun zieken naar Hem toe; die zieken leden aan velerlei kwalen. Hij genas hen door ze een voor een de handen op te leggen. Uit velen gingen ook duivels weg, die schreeuwden: “Gij zijt de Zoon van God.” Hij gaf een streng bevel en liet niet toe dat zij spraken, want zij wisten dat Hij de Messias was. Toen het dag geworden was, ging Hij naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats. De mensen zochten Hem echter, kwamen waar Hij was en poogden Hem vast te houden om te verhinderen, dat Hij hen zou verlaten. Maar Hij sprak tot hen: “Ik moet ook aan andere steden de Blijde Boodschap van het Godsrijk brengen, want daarvoor ben Ik gezonden.” En Hij predikte in de synagogen van het Joodse Land.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.