Bookmark and Share

negentiende week door het jaar 2, vrijdag

eerste lezing (Ez. 16,1-15.60. 63)

Uit de Profeet Ezechiël.
Het woord van de Heer werd tot mij gericht: “Mensenkind, gij moet Jeruzalem haar verfoeilijke daden onder ogen brengen. Gij moet zeggen: Zo spreekt God de Heer tot Jeruzalem: “Naar herkomst en afstamming zijt gij uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was een Amoriet, uw moeder een Hethietische. En wat uw geboorte betreft: op de dag dat gij gebaard werd, is uw navelstreng niet doorgeknipt, zijt gij niet met water schoongewassen, niet met zout gewreven en niet in doeken gewikkeld. Geen oog is met u begaan geweest, men heeft niet naar u gekeken om uit medelijden één van die dingen voor u te doen. Gij zijt neergegooid op het veld, omdat men een afkeer van u had, op de dag van uw geboorte. Toen ben Ik voorbijgekomen en heb Ik u gezien. Ik zag u trappelen in uw bloed en terwijl gij daar zo trappelde in uw bloed, zei Ik: Jij moet in leven blijven! Ja, Ik zei tot u die daar lag in uw bloed: Jij moet inleven blijven! Ik heb u laten opgroeien, als het kruid op het veld, en gij zijt groot geworden en tot volle wasdom gekomen. Uw borsten werden vast en uw haren groeiden aan, maar gij waart nog naakt en bloot. Toen kwam Ik weer voorbij en zag Ik, dat de tijd van de liefde voor u was gekomen. Ik heb de slip van mijn mantel over u uitgespreid en uw naaktheid bedekt. Ik heb u trouw gezworen en een verbond met u gesloten - zo spreekt God de Heer - en gij zijt de mijne geworden. Ik heb u met water gewassen, het bloed van u afgewist en u met olie gezalfd. In bonte weefsels heb Ik u gekleed en met kostelijk leer geschoeid; Ik heb u een linnen hoofddoek omgebonden en u een zijden mantel omgeslagen. Ik heb u met sieraden getooid; om uw polsen heb Ik armbanden gedaan en een snoer om uw hals. Ik gaf u een neusring, oorringen en een schitterende diadeem op uw hoofd. Gij hebt u met goud en met zilver getooid, en uw kleren waren van linnen, van zijde en van geborduurde weefsels; uw voedsel bestond uit het fijnste meel en honing en olie. Gij werd een schone vrouw, een uitzonderlijke schoonheid, het koningschap waardig. En onder de heidense volken verbreidde zich uw faam vanwege die schoonheid, want die was volmaakt, door de luister die Ik u had bijgezet, - zo spreekt God de Heer -. Maar door uw schoonheid zijt gij zelfverzekerd geworden en gij zijt ontucht gaan plegen met uw faam; aan iedere voorbijganger hebt gij uw ontucht aangeboden. Toch zal Ik weer terugdenken aan het verbond, dat Ik in uw jonge jaren met u was aangegaan. Ik zal een eeuwigdurend verbond met u sluiten. Dan zult gij tot inkeer komen en schaamrood worden; van schaamte zult gij uw mond niet meer opendoen wanneer Ik verzoening bewerk voor alles wat gij hebt gedaan.” Zo spreekt God de Heer.
Wij danken God.

ofwel (Ez. 16, 59-63)

Uit de Profeet Ezechiël.

Zo spreekt God de Heer: “Met u zal Ik doen zoals gij met Mij hebt gedaan, gij die de eed zo gering hebt geacht dat gij het verbond hebt verbroken. Toch zal Ik weer terugdenken aan het verbond dat Ik in uw jonge jaren met u was aangegaan. Ik zal een eeuwigdurend verbond met u sluiten. Dan zult gij terugdenken aan uw gedragingen en u schamen, wanneer Ik uw zusters, de grotere en de kleinere, zal krijgen en ze u als dochters zal geven, zonder dat het verbond met u Mij daartoe verplicht. Ik zal mijn verbond met u sluiten en gij zult erkennen, dat Ik de Heer ben. Dan zult gij tot inkeer komen en schaamrood worden en van schaamte geen mond meer opendoen wanneer Ik verzoening bewerk voor alles wat gij gedaan hebt.” Zo spreekt God de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Jes. 12, 2-3, 4bcd, 5-6)

Refrein: Ik dank U, o Heer, Gij waart toornig op mij, maar nu schenkt Gij troost en vergeving.

God is mijn heil, ik verlaat mij op Hem, ik hoef voor geen onheil te vrezen. De Heer is mijn sterkte, de Heer geeft mij kracht, Hij toont zich mijn helper en redder. De dag is nabij dat ge water zult putten met opgeruimd hart uit de bron van het heil.

Brengt dank aan de Heer en huldigt zijn Naam, verkondigt de volken zijn machtige daden, maakt alom zijn grootheid bekend. Zingt luid voor de Heer, die wonderen deed, laat heel de aarde het horen. Verheugt u en juicht, gij die Sion bewoont, want Israëls Heilige woont in uw midden.

vers voor het evangelie (1 Tess. 2,13)

Alleluia. Ontvangt het goddelijk woord, niet als een woord van mensen maar als wat het inderdaad is: het woord van God. Alleluia.

evangelie (Mt. 19, 3-12)

De Heer zij met u.
En met uw Geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Lof zij U, Christus.

In die tijd kwamen er Farizeeën naar Jezus toe om Hem op de proef te stellen met de vraag: “Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten, om welke reden dan ook?” Hij gaf hun ten antwoord: “Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper in het begin hen als man en vrouw gemaakt heeft en gezegd heeft: Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen worden één vlees? Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden.” Zij zeiden Hem: “Waarom heeft Mozes dan voorgeschreven bij het wegzenden van een vrouw een scheidingsbrief te geven?” Hij antwoordde: “Om de hardheid van uw hart heeft Mozes u toegestaan uw vrouwen weg te zenden; aanvankelijk was dit echter niet zo. Ik zeg u dus: wie zijn vrouw wegzendt - en dit niet wegens ontucht - en een ander huwt, begaat echtbreuk; en wie een weggezonden vrouw huwt, begaat echtbreuk.” De leerlingen zeiden Hem: “Als de verhouding tussen man en vrouw zó is kan men beter niet trouwen.” Hij antwoordde: “Niet iedereen kan dit begrijpen, maar alleen zij aan wie het gegeven is. Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn voortgekomen; en er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der hemelen. Wie bij machte is dit te begrijpen, hij begrijpe het!”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.