Bookmark and Share

vijftiende week door het jaar 2, zaterdag

eerste lezing (Mich. 2, 1-5)

Uit de Profeet Micha.
Wee over hen, die onrecht beramen, en in hun bed bedacht zijn op boze daden, die zij bij het eerste morgenlicht bedrijven, machtig als hun handen zijn. Begeren zij akkers, dan roven zij die, begeren zij huizen, dan nemen zij die! Zij leggen beslag op de man en zijn huis, op de bezitter en op zijn bezit. Daarom spreekt de Heer aldus: “Ik ga tegen dat soort lieden een boze daad bedenken, iets dat gij niet van uw nek kunt schudden; gij zult niet meer rechtop gaan, want het wordt beslist een kwade tijd! Op die dag zal men een spotlied op u aanheffen en zal er een droevige klaagzang klinken: Wij zijn te gronde gericht, totaal te gronde gericht! Het erfdeel van mijn volk geeft Hij aan vreemden! Ach, Hij ontrukt het mij! Aan de goddelozen deelt Hij onze akkers uit! Dan zult gij niemand meer hebben die u een erfdeel toewijst in de gemeente van de Heer.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 10)

Refrein:
Wil toch de arme niet vergeten, Heer.

Waarom houdt Gij u op een afstand, Heer, verbergt Gij u in tijden van ellende; terwijl de goddeloze in zijn overmoed de arme kwelt, en hem verstrikt in listen en bedrog.

De zondaar pocht op zijn verdorven lusten, en met zijn hebzucht lastert hij de Heer. De goddeloze zegt hoogmoedig: niemand zal het wreken, er is geen God; en denkt niet verder na.

Zijn mond is vol bedrog en sluwheid, onheil en kwelling heeft hij op de tong. Hij ligt in hinderlaag tussen de struiken, slaat heimelijk de schuldeloze neer.

Toch ziet Gij het, ons leed, onze ellende, Gij hebt het immers in uw hand. Aan U geeft de noodlijdende zich over, de vaderloze rekent op uw hulp.

vers voor het evangelie (Ps. 130/129, 5)

Alleluia. Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik. Alleluia.

evangelie (Mt. 12, 14-21)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Lof zij U, Christus.

In die tijd verlieten de Farizeeën de synagoge en smeedden plannen om Jezus uit de weg te ruimen. Maar omdat Jezus dit wist, trok Hij vandaar weg. Velen volgden Hem, en Hij genas ze allen. Hij drukte hun echter op het hart Hem niet bekend te maken, opdat in vervulling zou gaan het woord door de profeet Jesaja gesproken: “Zie, mijn Dienaar die Ik heb verkoren, mijn Welbeminde, in wie mijn ziel behagen vond. Ik zal mijn geest op Hem doen rusten, Gods Wet zal Hij verkondigen aan de volkeren. Hij zal twisten noch schreeuwen en op straat zal men zijn stem niet horen. Een geknakt riet zal Hij niet breken en een smeulende vlaspit niet doven voordat Hij Gods Wet ter overwinning heeft gevoerd; en op zijn Naam zullen de volkeren hopen.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.