Bookmark and Share

dertiende week door het jaar 2, woensdag

eerste lezing (Am. 5, 14-15.21-24)

Uit de Profeet Amos.
Zoekt het goede en niet het kwade: dan zult gij leven, dan zal God, de Heer van de hemelse machten, met u zijn, zoals gij altijd zegt. Haat het kwade, hebt het goede lief en handhaaft het recht in de stadspoort; misschien zal dan de Heer, de God van de hemelse machten, zich over de rest van Jozef ontfermen. Want zo spreekt de Heer: “Ik haat, Ik verfoei uw feesten, uw vieringen kan Ik niet luchten. De brandoffers en meeloffers, die gij Mij brengt, behagen Mij niet; uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien. Spaart Mij het lawaai van uw liederen, de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen! Neen, het recht moet stromen als water, de gerechtigheid als een nooit uitdrogende beek.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 50/49)

Refrein:
Wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God.

Hoor nu, mijn volk, wat Ik u zeggen ga, hoor, Israël, waarvan Ik u beschuldig, want Ik ben God, uw God!

Ik maak u over offers geen verwijt, uw offerdieren zie Ik aldoor branden. Ik wil geen stier meer hebben uit uw huizen en rammen uit uw schaapskooi vraag Ik niet.

Want Mij behoren alle dieren in het woud, de duizenden die op mijn bergen zwerven. De vogels in de lucht, Ik ken ze allen, van Mij is al wat rondloopt op het veld.

Ik zou het u niet zeggen als Ik honger had, Ik kan beschikken over al wat leeft op aarde. Zou Ik soms vlees van stieren eten of bloed van bokken nuttigen als drank?

Wat spreekt ge aldoor over mijn geboden en hebt ge mijn verbond steeds op de tong? Gij die van tucht een afkeer hebt en nimmer acht slaat op mijn woorden?

vers voor het evangelie (cf. Lc. 8, 15)

Alleluia. Zalig zij die het woord Gods dat zij hoorden in een goed en edel hart bewaren, en vrucht voortbrengen door hun standvastigheid. Alleluia.

evangelie (Mt. 8, 28-34)

De Heer zij met u.
En met uw Geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Lof zij U, Christus.

Toen Jezus aan de overkant van het meer gekomen was in het land der Gadarenen, liepen Hem twee bezetenen tegemoet. Ze kwamen uit de grafspelonken te voorschijn en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand daarlangs kon gaan. Plotseling begonnen ze te schreeuwen: “Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen of ons vóór de tijd te kwellen?” Een eind van hen vandaan was men een grote kudde zwijnen aan het hoeden. De duivels nu smeekten Hem: “Als Gij ons uitdrijft, stuur ons dan in die kudde zwijnen.” Hij zei hun: “Gaat heen.” En zij verlieten hen. Nauwelijks hadden zij bezit genomen van de zwijnen, of de hele kudde stortte zich van de steile oever in het meer en kwam in het water om. De zwijnenhoeders namen de vlucht, en in de stad gekomen vertelden zij alles, ook wat er met de bezetenen gebeurd was. Daarop liep de hele stad uit, Jezus tegemoet; en toen zij Hem zagen verzochten zij Hem hun streek te verlaten.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.