Bookmark and Share

elfde week door het jaar 2, dinsdag

eerste lezing (1 Kon. 21, 17-28)

Uit het eerste Boek der Koningen.
Na de dood van Nabot kwam het woord van de Heer tot Elia de Tisbiet: “Ga naar Achab, de koning van Israël, die in Samaria woont; hij is naar de wijngaard van Nabot gegaan om hem in bezit te nemen. Zeg hem: Zo spreekt de Heer: Komt gij na een moord het erfgoed in bezit nemen? “Zeg hem dan: Zo spreekt de Heer: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot hebben opgelikt zullen ze ook het uwe oplikken.” Toen zei Achab tot Elia: “Heeft mijn vijand mij weer weten te vinden?” Elia antwoordde: “Ja, dat heb ik, omdat ge u hebt laten gebruiken voor dat wat de Heer mishaagt. Daarom - zo spreekt de Heer - ga Ik onheil over u brengen en vaag u weg. Al wat man is in het huis van Achab zal Ik van hoog tot laag uit Israël verdelgen. Ik zal met uw huis hetzelfde doen als Ik gedaan heb met het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en met dat van Baësa, de zoon van Achia, omdat gij Mij getergd hebt en de Israëlieten tot zonden verleid. En over Izebel zegt de Heer: “De honden zullen Izebel verslinden bij de stadsmuur van Jizreël. Wie van het huis van Achab in de stad sterft zal door de honden verslonden worden, en wie op het open veld sterft wordt verslonden door de vogels van de hemel.” Nog nooit heeft iemand zich zo laten gebruiken om te doen wat de Heer mishaagt als Achab, daartoe verleid door zijn vrouw Izebel. Hij heeft zich schandelijk gedragen door de afgoden te dienen, juist zoals de Amorieten dat gedaan hadden, die de Heer voor de Israëlieten verjaagd heeft. Toen Achab deze woorden hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een boetekleed aan over zijn blote lijf en vastte; hij liep terneergeslagen rond en legde zich in zijn boetekleed te ruste. Daarom kwam het woord van de Heer tot Elia de Tisbiet: “Hebt gij gezien hoe Achab zich voor Mij vernederd heeft? Omdat hij zich voor Mij vernederd heeft, zal Ik het onheil op zijn huis niet tijdens zijn leven doen neerkomen, maar wel tijdens het leven van zijn zoon.”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 51/50)

Refrein: God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid.

God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid, delg mijn zondigheid in uw erbarmen. Was mijn schuld volkomen van mij af, reinig mij van al mijn zonden.

Ik erken dat ik misdreven heb, altijd heb ik mijn vergrijp voor ogen. Jegens U alleen heb ik gezondigd, wat U tegenstaat heb ik gedaan.

Wend uw ogen af van mijn gebreken, scheld mij al mijn schulden kwijt. Houd mij ver van bloedschuld, God mijn redder, dan bezingt mijn tong uw wijs beleid.

vers voor het evangelie (Ps. 27/26)

Alleluia. Toon mij uw weg, Heer, bij tegenstand, leid mij langs effen paden. Alleluia.

evangelie (Mt. 5, 43-48)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
Lof zij U, Christus.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt worden van uw Vader in de hemel, die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeder groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is”
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.