Bookmark and Share

twintigste week door het jaar 1, maandag

eerste lezing (Recht. 2, 11-19)

Uit het Boek van de Rechters.
In die dagen begonnen de Israëlieten te doen wat de Heer mishaagt. Zij vereerden de Baäls en verlieten de Heer, de God van hun vaderen, die hen uit Egypte geleid had. Zij liepen achter andere goden aan, goden van de volken uit hun omgeving; zij bogen zich voor hen neer en krenkten de Heer. Zij verlieten de Heer en vereerden Baäl en de Astarten. Toen ontbrandde de toorn van de Heer tegen Israël. Hij leverde hen over aan plunderaars, die hen beroofden en gaf hen prijs aan hun vijanden rondom, zodat zij niet langer tegen hun tegenstanders waren opgewassen. Alles wat zij ondernamen mislukte, omdat de Heer tegen hen was, zoals Hij gezegd en gezworen had. Maar telkens als de nood het hoogst was, liet de Heer rechters optreden, die hen uit de greep van de plunderaars bevrijdden. Maar ook naar hun rechters bleven zij niet luisteren. Ontuchtig liepen zij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al heel gauw weken zij weer af van de weg, die hun voorvaderen gevolgd hadden, die hadden gehoorzaamd aan de geboden van de Heer; zij deden dat niet. Als God de Heer een rechter liet optreden, was Hij met de rechter zolang die leefde. De Heer bevrijdde hen uit de macht van hun vijanden, want als zij zuchtten onder het juk van hun vervolgers en verdrukkers, kreeg Hij weer medelijden met hen. Maar nauwelijks was de rechter gestorven, of zij vervielen opnieuw tot zonden, erger nog dan hun vaderen. Zij liepen achter andere goden aan, vereerden die en bogen zich voor hen neer. Zij weigerden hardnekkig met die vroegere praktijken en gewoonten te breken.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

tussenzang (Ps. 106/105)

Refrein:
Vergeet mij niet, Heer, die uw volk welgezind zijt.

Onze vaderen roeiden de inlandse volken niet uit, zoals de Heer had bevolen; maar mengden zich onder de heidenen en namen hun slechte gewoonten over.

Zij bogen de knie voor hun godenbeelden, die werden hen tot een valstrik. Hun eigen zonen offerden zij, hun dochters aan de demonen.

Zij maakten zichzelf onrein door hun daden, bedreven ontucht door hun gedrag. Daarom werd de Heer vertoornd op zijn volk en walgde Hij van zijn erfdeel.

Hoe dikwijls de Heer ook verlossing bracht, zij tergden Hem telkens opnieuw. Maar God trok zich hun ellende aan zo vaak Hij hun noodkreten hoorde.

vers voor het evangelie (2 Tess. 2, 14)

Alleluia. God heeft ons geroepen door de verkondiging van het evangelie, opdat wij de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus zouden verwerven. Alleluia.

evangelie (Mt. 19, 16-22)

De Heer zij met u.
En met uw geest.
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
Lof zij U, Christus.

Eens kwam iemand naar Jezus toe om te vragen: “Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Hij zei hem: “Waarom wilt ge van Mij weten wat goed is? Eén slechts is er goed. Als gij het Leven wilt binnengaan, onderhoud dan de geboden.” “Welke” - vroeg hij. Jezus antwoordde: “De bekende: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, eer uw vader en uw moeder en gij zult uw naaste beminnen als uzelf.” Dat heb ik allemaal onderhouden - verklaarde de jongeman - waarin schiet ik nog tekort?” Jezus sprak tot hem: “Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen.” Maar toen de jongeman deze raad hoorde, ging hij ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat.
Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.